19650923b Matthijs Vermeulen aan Thea Vermeulen-Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Vermeulen-Diepenbrock

Amsterdam, 23-24 september 1965

24 [moet zijn: 23] Sept.

Leeuwenhoekhuis

Liefste,

Verbeeld je, ik heb duidelijk half twee gehoord, zelfs meermalen, en niet naar mijn kaart gekeken, waarop staat half tien! Ik weet niet hoe dat zal aflopen. Na een zeer roezemoezige tramreis zit ik hier in de hall.

Vergissing no 2. Aardige vrouwelijke dokter komt binnen die ik aanspreek en die mij bevestigt, dat het inderdaad half twee is. De portier had mij verward.

Ben me ondertussen reuze-aap geschrokken maar dat is niet erg. – Het is nu kwart voor vier. –

Geen tijd gehad om te zeggen dat ik geroepen word. Ik ga naar het einde van een lange gang. Daar leidt een vriendelijke juffrouw mij naar een kleedkamertje, grootte van een telefoon-cel, met verzoek mijn bovenkleren uit te doen, behalve het onderhempje. Ook schoenen uit. Nauwlijks klaar brengt men mij in de machine-kamer. Een zware metalen half-cirkel, in 't midden brede ronde buis, waarin de lichten en de stralen. Dat hangt anderhalve meter boven de vloer. Onder het massieve instrument een ligplaats, waarop ik verzocht word mijn leden uit te strekken, het hoofd onder de lamp. Vele manipulaties alvorens die geduldige kop van mij in de juiste houding, op het juiste punt ligt. Dat is nog niet zo gauw in orde. Wanneer de dokter en zijn twee vrouwelijke assistenten het eens zijn, krijg ik een spatel tusschen de tanden, van anderhalve c.m breedte en 15 c.m. lengte met het verzoek dit voorwerp zo ver mogelijk in de mond te steken en de tong ermee af te dekken. Ik doe het uiterste. Hier verft hij met rode inkt zes merktekens op mijn gezicht, twee onder de neushoeken van de wenkbrauwen, een aan 't ondereind van de rechter neusvleugel, bij de lip; een op het rechter jukbeen, een op het punt van de mond waar rechts de lippen samenkomen en vandaar nog een op de wang bij 't einde van de bovenkaak. Ik voel alleen maar een vochtig penseel. Later zegt hij mij dat het rode inkt is. Met de ogen word ik uitgenodigd omhoog te staren naar een lichtje in de machine. Dan: u moet nu stil blijven liggen. Ik vraag, met die spatel in mijn mond en mijn tong daaronder: Hoe lang dokter? – Tien minuten. Over vijf minuten komen wij even kijken of alles in orde is. – Een knippen van schakels. De kamer wordt half-duister. Machines beginnen te ruisen en te ritselen. Ik vang aan met een gebed in korte zinnetjes. Ik mag zeggen een vurig gebed. Over een poos, die me kort schijnt, een geknars van machines en licht in de kamer. De dokter met zijn assistenten komt me gadeslaan. Ik heb me niet verroerd. De tweede helft begint onmiddellijk en verloopt op dezelfde manier.

Zeven uur

Met die rode vegen over mijn gezicht werd ik op straat en in de tram niet nadrukkelijker aangekeken dan gewoonlijk. Of ik merkte het niet. In ieder geval viel het me mee. Die tram-reis, lieve Thea, is best te doen. Ik voel me nu niet vermoeider dan anders, en bij mijn thuiskomst heb ik niet uitgerust, maar me in die handige stoel, direct aan 't schrijven gezet. Na onze telefoon en onder het daaropvolgende avondeten is Prof. Jongkees nog even bij me geweest. Enkel om te informeren. Hij zal wel nieuwsgierig zijn geweest om te horen hoe ik het er had afgebracht! Nou, geen klachten. Wat me trof is, dat ik op het Amsterdamse asfalt een minder stevige stap heb dan op de Larense hei. Een kwestie van wennen waarschijnlijk. Hoe dan ook, een beetje training zal goed voor me zijn, en behalve om overwegingen van zuinigheid, ben ik ook om redenen van soliditeit voornemens mijn bezoeken aan het Leeuwenhoek huis per tram voort te zetten. Ik voel me ongeveer weer als in 1945/46 onder een stolp en ontoegankelijk. Maar als ik eventjes onder mijn stolp uitkom dan valt me dat monotone, zinneloze lawaai op het lijf als een werveling van gedreun, waarin geen enkel pogen naar, of verwantschap met wat vroeger kunst heette, nog denkbaar is. Jonge mensen vatten dat gelukkig anders op. Zou de romantiek van Donald nog toekomst hebben? Hoeveel van zijn soort zouden er bestaan? De ziel is onsterfelijk. En we moeten aannemen dat zij zich zal weten te redden.

O schat, genoeg voor vandaag. Morgen maar eens verder zien. Bij mijn thuiskomst vond ik twee briefkaarten van je op mijn standaard. Merci, toujours merci pour tout ce que tu m'as donné et pour tout ce que tu me donnes.

Vrijdagmorgen

Toen ik mijn gereedschap al klaar had (het scheerbekken moest expres besteld worden) drong het plotseling tot me door dat ik mij niet scheren mocht, want de dokter had mij gezegd, dat die rode tekens niet mochten worden uitgewist. Omdat ik al onderweg was, informeerde ik bij de hoofdzuster, en het was inderdaad zo. Begrijpelijkerwijze om tijd te sparen bij de bestralers, en geduld bij mij. Misschien zie je me dus nog een baard of baardje dragen, en een dikwijls geuite wens van Odilia gaat in vervulling. Mij van ochtend inspecterend heb ik overigens bemerkt dat ik niet zes maar zeven rode tekens draag. De zevende bevindt zich aan het einde van de linker neusvleugel.

Ik heb goed geslapen. Men heeft mij verwittigd dat de patient na een poos een soort van "kater" krijgt na die bestralingen. Tot nu toe merk ik er niets van. Op wat voorbij is terugziende heb ik alles wat door mijn schuld minder goed was dan het had kunnen en had moeten zijn, bitter betreurd. Lieve Thea.

Leeuwenhoek huis; een

half uur te vroeg – dat

is beter dan te laat.

Vanochtend wel op het grasveldje gezeten, maar niet tot schrijven geraakt. Heb zitten mijmeren in de zon. Ik ben vandaag zeer mijmerbaar, en bovendien roerbaar. Dat is gevaarlijk in het verkeer, vooral wanneer de mijmerbaarheid wil overglijen in de muzikale sfeer, wat het geval was. Ik zal moeten oppassen, zei ik in mijn binnenste. Maar ik heb toch niet genoeg opgepast. Toen lijn 10 bij halte rijksmuseum met een ruk weer vertrok had ik mij nog niet vast, en in minder dan een oogwenk lag ik languit op de vloer, die – ik constateerde het illico van rubber is. Ik ben heel uitstekend gevallen (niets dan even een last-gevoel aan mijn stuiter) en ben ook direct opgestaan met behulp van een zeer bruine hand. Ik hoefd[e] niet eens te gaan zitten. Schrik dus niet en vraag me vooral niet om niet met de tram te gaan. Ik heb je dit verteld om je te tonen dat ik niets verzwijg.

De morgen besteed aan een verdere lectuur van Les Juifs.1 Het is een uiterst voortreffelijk boek, niet in zijn samenstelling, maar door de strekking die altijd onopzettelijk uit de feiten voortvloeit. Hij noemt alle pro's op en alle contra's. Bij de contra's had hij kunnen vermelden dat wij christenen, in minstens even ruime mate daarmee behept zijn. Ik ben nu aan de rol der Joden in het Frans Verzet. Zij vormen op de officiële lijst der résistants 10%, terwijl zij slechts 1% uitmaakten der totale bevolking. Dat is meer dan magnifiek en, voor de doorsnee-christenen stellig onverwacht. Ik heb weer nieuwe namen van kampen ontmoet en weer nieuwe voorbeelden van monsterachtigheden. Werkelijk, of ze willen of niet, de Moffen, dat is voor vele eeuwen onuitwisbaar.

Ik houd op, 't wordt tijd. Gecomponeerd te hebben tijdens dat onmetelijke Miserere lijkt me soms, ik weet niet hoe ik het zeggen moet, maar bijna verschrikkelijk.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. Historische studie van Roger Peyrefitte.