19650915 Matthijs Vermeulen aan Thea Vermeulen-Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Vermeulen-Diepenbrock

Amsterdam, 15-17 september 1965

15-9-65

Woensdagavond

Liefste,

Om tien voor drie gehaald voor de foto's. Aan het andere eind van de Helmersstraat. Te voet. Overal aan beide kanten pavillioen of pavillioens in aanbouw. Naartoe gebracht door dezelfde zuster die mij gisteren van je wegriep. Zij liet me achter in een "wachtkamer", die voor een deel bezet was door mensen op een rollend bed. Onaardse, trieste atmosfeer. De patiënten modellen van willoze berusting. Mannen, vrouwen, een jonge vrouw met gazelle-ogen, een jongen, allen aan de wereld onthecht, in een soort Nirwana. Daar vertoefd en geduld geoefend tot ongeveer vier uur. Toen door een zuster geroepen en in een hokje genodigd met het verzoek mijn boven-lijf te ontbloten. Ik deed het. Enkele minuten gingen voorbij, waarna een deurtje geopend werd dat mij scheidde van een machine-kamer zoals men ze in de geïllustreerde bladen afbeeldt, met talloze snoeren, maar met veel minder klater glans. De Röntgen-fotografen waren meisjes, bazig, van alle zachtaardigheid gespeend, en zeer actief. Zij maakten twee fotos van de romp, en eene van het onderhoofd. Dat duurde tot kwart over vier. Zij stuurden mij terug naar de wacht. Na een half uur stilzitten werd ik geroepen naar een andere machine-kamer. Ik moest mij daar lang-uit op een plank leggen met mijn kop onder het toestel dat de foto maakt. Ik was erop in een wip maar toen begon het moeizaamste: het leggen van mijn hoofd in de juiste stand. Een meisje en een dokter hadden eindeloze moeite om het eens te worden. Geregeld zwichtte de dokter. Eerst kreeg ik een band om de kin, later een zwaar gewicht omp de kin, om de mond geopend te houden. In verschillende pose's werden zo een zestal foto's genomen. Toen maakten zij de band los, verlosten me van het gewicht en lieten mij zonder verdere informatie alleen. Daar lag ik op mijn plank als een leerling-fakir in het bereiken van de bewegingloosheid. Er was geen klok. Wel stemmen achter een wand, geratel en geplof van deuren. Na een poos die ik niet schatten kon zei ik: hallo! Geen antwoord. Later nog eens: Hallo. Geen gehoor. Ik dacht: ik ga maar zitten, want ik word stijf. Daar zat ik en na weer een onafzienbare poos keerden de machinisten terug, en maakten met dezelfde omhaal twee nieuwe foto's van het hart. Ik waande vrij te zijn. Morgen brengen! Ik werd terug verwezen naar de wachtkamer, waar de klokke-wijzer stond op vijf over vijf. Na een schikkelijke pauze werd ik geloodst in de derde machine-kamer even onherbergzaam als de twee vorige. Met een wederom ontbloot bovenlijf moest ik mij wippen en daarna uitstrekken op een verschuifbare plaat waarboven eveneens verschuifbare toestellen hingen, sjouwden de meisjes met mijn hoofd op en neer van links naar rechts, ijverig op zoek naar de meest gunstige hoek. Ik dacht niets anders dan: vroeg of laat vinden zij hem wel, en ik gaf mij over, ik zonk omhoog in mijn eigen Nirwana. Dat is de enige mogelijke houding. Laten betijen. Ik raakte de tel kwijt van de fotos. Wij waren aan de voor-laatste, toen twee nieuwe dokters binnentraden, zich met de meest welgezinde bespraaktheid aan mij voorstelden, en mij mededeelden dat er de volgende dag nieuwe foto's gemaakt zouden worden, ik weet niet onder wat voor smoesje, maar waarbij ook Prof. Jongkees te pas kwam. En weer in de middag.

Eindelijk vrij. Ik duizelde toen ik mij weer aankleedde, want ik had lange minuten met mijn kop omlaag gehangen en een kussen onder de rug. De klok wees kwart voor zes. Daarjuist komt je briefkaart. Het is nu kwart over zeven. Ik had een en ander omstandiger kunnen vertellen maar het is uitvoerig en duidelijk genoeg dunkt me. Ik kijk in de spiegel en merk dat een der meisjes, al zoekende naar de beste hoek, mij met een scherp voorwerp een fikse kras heeft toegebracht op mijn rechter wang. Zij wilde een lijn aanduiden. Een beetje dik, en ik zei nog schertsend: het gaat er wel weer af. Ik leer weer snel schrijven. Nu moet ik nog leren snel ook netjes te schrijven. Ik ben blij met je. Gelukkig. Als ik niet blij met je was, mijn toeverlaat, dan kon dit allemaal niet, hoewel 't per slot tot [lees: toch] ook weer niet zo erg is, eenvoudig omdat ik blij met je ben.

Donderdag 16-9-65

Liefste,

Van middag tegen twee uur geroepen, om kwart voor zes thuis. Ik werd vandaag onmiddellijk bediend. Men stond op mij te wachten. Meer dan dertig fotos gemaakt. Acht zittend. De rest op de grote strijkplank, die voorzien is van een aantal mechanieken en imposante apparaten. Ik ben geneigd te geloven dat ik een heldentoer heb uitgehaald. Hoor maar. Ik lag op mijn buik met niets anders op het bovenlijf dan de pullover. Mijn hoofd werd in een kistje gedaan van zaag-plankjes. Ik moest met de kin op de borst. Omdat mijn neus een beetje groot is, kwam ik dus te steunen op de top van mijn neus. Met een aantal wiggen werd het hoofd in dat kistje stijf vast gezet. Mijn armen lagen naast mijn lijf en goddank kon ik daarmee een tikje steunen. Er ging een onmetelijke tijd heen alvorens dat bouwsel nauwkeurig in elkaar stond. Ademen viel moeilijk en werd hoe langer hoe lastiger. Toen het fotograferen aanving voelde ik me al uitgeschakeld. Het voordeligst om de tijd van de belichting te tellen, naar het tempo der ronden van een driftig snorrende machine bij elk nieuw cliché. Ik telde ook het aantal foto's. Zo heb ik het uitgehouden twee series in twee etappes. In de lange pauze zat of lag ik los van banden op de strijkplank. Het gaf mij opbeuring te kunnen denken: ik doe dat voor Thea; en voor een deel doe ik dat ook voor Odilia. Stel je voor: mijn kop was met een brede linnen strook aan de strijkplank gekluisterd en ik moest muisstil liggen. Na afloop zei het meisje me: nou, u hebt fantastisch gewerkt. Ik maakte haar ook mijn complimenten want zij had ook fantastisch gewerkt in een razende snelheid. Het kon niet vlugger.

Op dit punt van mijn relaas haastig gegeten.

Toen de laatste foto gemaakt was zei de juffrouw dat die professor van gisteren mij graag even wou spreken. Ik had gisteren zijn naam niet goed verstaan en ik vroeg de juffrouw hoe hij heette. Ik begreep het nog niet en vroeg haar het op een papiertje te schrijven. Ziedzes des Plantes.1 Bij de aankondiging van die wens hield ik mijn hart vast. Maar het verliep heel aardig. De juffrouw leidde mij naar een bureau en daar gingen we na de hoffelijkste plichtplegingen zitten. Hij lijkt uit de verte, heel uit de verte, op Dooyer.2 Hij vroeg me hoe het geweest was. Ik zei hem dat dat kistje geen kleinigheid was. Het bleek dat hij die mensen-val had uitgevonden. En waarom vondt U het lastig. Ik: Ten eerste omdat mijn hoofd een kwartier moest steunen op de neus zonder dat je kikken mocht. Ten tweede omdat je daarvan te philosophisch wordt. Wij gekscheerden daar maar even overheen, en toen het praten begon te dralen vroeg ik het waaraan ik de eer van zijn belangstelling te danken had. O zei hij Prof Jongkees had hem verteld dat er een voorname gast in hun kliniek vertoefde (ik weet niet echt of hij het woord voornaam gebruikte, doch daar kwam het op neer) en dat dit bij hen grote belangstelling gewekt had. Ik natuurlijk gecoiffeerd, antwoordde hem dat het mij ten zeerste verheugde om met hem een menselijke relatie te hebben in plaats van een enkel vakmatige of administratieve, wat gelukkig de pure waarheid is. Tot een enigszins inhoud hebbend gesprek kwam het echter niet, en daarvoor was het ook niet de tijd, maar hij zei me met nadruk herhaalde malen tot ziens. Hij woont in Bloemendaal, vernam ik van hem, en ondanks de auto's zal het dus zo'n vaart wel niet lopen. Toch wel aardig. Ik had er plezier van. Ik hoop dat de martelingen nu zijn geëindigd, want martelingen zijn het.

Nu schat van mijn hart, une bise et encore une bise. Ik ben wel een beetje moe. Tot morgen.

Vrijdagmorgen

Lieveling

Goed geslapen? Ik redelijk, de tweede helft van de nacht zwaar. Geen dromen hier. Om zeven uur wekte mij het lawaai der nachtzuster met de meewarige ogen en - stem, die de gordijnen opentrok en zich even daarna over mij boog. Nu acht uur en alles achter de rug wat gedaan moest worden thee, wassen, scheren, alles in langzaam tempo. Ook het gebedje, samen. Ik krimp wel even. Gisteren vergat ik je iets nogal komieks te vertellen. De zuster die mij de koffie bracht, (naam vergeten, maar het type van haar gelaatsbewegingen is precies als dat van Fiekie van de Groene je weet wel die onder een lawine is omgekomen) neusde in mijn boeken en zei Wat is dat geleerd! Is u van de natuurkunde? Of schrijft u romans? (ze vond me schrijvend) Nee, ik doe aan muziek. Zij: heerlijk, ik ook. Ik: speelt u een instrument? Zingt u? Zij: nee, guitaar, mieters. Ben bezig met voorbereiding van toelatingsexamen conservatorium. Moeilijk die verminderde septiem-accoorden en zo. Ik: vindt u daar tijd voor? Hoe lang werkt u hier per dag? Negen uur. Ik: dan zult u 's avonds wel een beetje vermoeid zijn. Zij: ja, dat wel. Maar als ik 's avonds thuis kom ga ik in een warm bad en dan lukt het wel. Maar toch niet langer dan drie kwartier, dan ben ik bek-af. Maar het is mieters. Zo hebben we nog een beetje doorgekletst. Segovia dat was prachtig, maar wat oud. Zij noemde mij een guitaar-paar uit de radio dat mieters was, maar dat ik weer niet kende. Ik hàd al enige blijkjes van ongeduld gegeven maar als de plicht haar niet geroepen had dan was zij nog wel een kwartier doorgegaan, want ik boezemde kennelijk groot vertrouwen in.

Onderwijl is een zus mijn bed komen opmaken, (ik heb haar een beetje geholpen met het instoppen der lakens; dat is goed voor de beweging) en nu brengt een andere zus mij mijn ontbijt. Tot straks!

Nog een andere pittoreske ontmoeting. Gisteren, tijdens een der pauzes van de Röntgen-fotos, zat ik daar in de wachtkamer, mijmerend over de rozen die buiten in de winden stonden te schommelen, en daar word ik opeens op de schouder getikt. Ik kijk schuin achterover en zie een dame uit de gemiddelde stand, nogal gevuld en van het type half-streng-half-vergoelijkend, meditatief. Ik zeg niets, maar zij vraagt: ken ik u? Ik zeg: dat weet ik niet, mevrouw. Zij: ik moet u toch kennen. Ik: mischien, mevrouw, maar ik weet heus niet hoe. Zij: dat is vreemd. Ik: maar voor wie houdt u me dan mevrouw? Zij: is u niet Meneer François Pauwels? Ik: nee, mevrouw, ik ben een Ander! Toen droop ze stilletjes af. Ik had een seconde zin om er nog bij te voe3gen: maar ziet u niet, mevrouw, dat meneer Pauwels er veel netjeser en deftiger uitziet dan ik? maar ik vond het veel te gevaarlijk om de eerste stap te zetten tot een relatie!

Tussen deze regelen door is Prof Jongkees er nog geweest en een zus om stof af te nemen. Pr. Jongkees zal misschien vanmiddag de fotos bestuderen, misschien morgen. Zaterdag. Weer een kwartier dichter bij elkander, wij.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. Bedoeld wordt Prof. Dr B.G. Ziedses des Plantes (1902-1993), hoofd van de afdeling Radiologie aan het Wilhelmina Gasthuis.
  2. Mogelijk verwijzing naar Henry Doyer, medefirmant van muziekuitgeverij Alsbach & Doyer.
  3. François Désiré Pauwels (1888-1966), jurist en schrijver.