19500605 Ro Cohen-de Wolff aan Matthijs Vermeulen

Ro Cohen-de Wolff

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 5 juni 1950

5 Juni 1950

Zeer geëerde Heer,

U hebt natuurlijk nooit vermoed, dat Uw wekelijksch artikel in de Groene, en nu bedoel ik dat van l.l. Zaterdag,1 deze brief tot gevolg zou hebben. Ikzelf ook niet, want ik haat "geschrijf" over artikels van hen, die in deze artikels wat te zeggen hebben. Dat ik U nu wel iets over Uw "Sousa"-artikel zeggen wil, heeft voor mij een bijzonder aantrekkelijke reden.

U hebt den naam genoemd van den man, die door mij wordt beschouwd en vereerd als een der beste, eerlijkste en "echtste" muzikanten, die Nederland tot nu toe heeft opgeleverd: Martin Heuckeroth, officieel J. Martin S. Heuckenroth.

Hoe staat mij die matinée in 't Concertgebouw nog voor de geest, die matinée waar ik als zeventien-jarige viool-studeerende (en hoe!) enthousiaste bezoekster bij tegenwoordig was. "Leve Sousa!" En na afloop rende ik het Gebouw uit, regelrecht naar de Reguliersgracht waar ik nog volkomen opgewonden "m'neer Heuckeroth" het verhaal deed van Matthijs Vermeulen, die al zoo lang tegen Mengelberg ageerde en die nu vanmiddag "herrie had geschopt" door "leve Sousa" te roepen. Was 't geen schandaal, en moest die ... (nee, wat ik toen zei, herhaal ik U nu toch maar liever niet,) er niet uitgegooid worden?

Martin Heuckeroth, die mij leerde vioolspelen en voor een groot deel mijn geestelijke vorming leidde, keek me op zijn eigen wijze (nu op dit moment zie ik hem weer voor me) over zijn bril heen aan en zei met zijn vier vingers van de rechterhand op tafel tikkend: "Zoo, vind jij, die ternauwernood een viool kan vasthouden, dat ze Matthijs Vermeulen eruit moeten gooien? Weet jij wel, dat Matthijs Vermeulen een verd...d knappe jongen is? Heel knap? G...d verd...s knap?" U moet niet denken dat dit idioom me erg verschrikte, al was ik een zeventienjarig meisje. Martin Heuckeroth had nog veel meer gezegd kunnen hebben, hij was voor mij de leeraar, dien ik vereerde en nu op 52-jarigen leeftijd nòg vereer. Enfin, op dien middag vertelde hij me voor het eerst, (na drie jaren reeds bij hem te studeeren) wat er zooal leefde in 't Gebouw en rond Mengelberg. Hij vertelde me van die absolute alleenheerschappij waaraan Evert Cornelis bezig was ten gronde te gaan, terwijl nu ook Vermeulen, "misschien wel de knapste recensent die we hier hebben, kind" zou moeten verdwijnen. Ik luisterde, zei niets, maar voelde me teleurgesteld. Was dit alles zoo, was er zooveel geharrewar in 't Gebouw en was onze afgod, Mengelberg zoo klein?

Toen kwam de avond in de Stadsschouwburg. Ik mocht meespelen met "Caecilia". U herinnert U natuurlijk wel dat toentertijd jonge instrumentalisten, na een examentje, met het Orkest mee mochten doen ter gelegenheid van het Caecilia-concert. Voor mij zou dit de eerste keer zijn, o glorie. Helaas! Mengelberg dirigeerde niet, zijn arm (waarvan hij later nog zooveel last zou hebben) hinderde hem weer. Dus "m'neer Heuckeroth" zou het concert leiden. Schmuller zou spelen (ik meen en dit is 't eenige dat ik niet heelemaal goed meer weet) Tschaikowsky-concert. Maar Mevrouw Schmuller liep "achter" heen en weer en snerpte tegen ieder die 't hooren wilde: "Mein Mann spielt heute Abend nicht." Eigenlijk zei ze 't niet eens in zuiver Duitsch, maar meer naar de Jiddische kant. Enfin, 't was rumor in casa. Martin Heuckeroth deed nog een poging om Mevrouw Schmuller er toe te brengen haar man te kalmeeren en hem wèl te doen spelen. Vergeefs! Even was er nog sprake dat Louis Zimmerman [sic], toen eerste concertmeester, Chaconne van Bach zou spelen, maar 't scheen dat de Heer Heuckeroth dit geen oplossing vond. Enfin, de "Derde" ging dien avond... maar dit weet U alles nog beter dan ik.

En toen... Cornelis ging heen en stierf zonder ooit de gelegenheid gehad te hebben, zich geheel te ontplooien. Vermeulen ging heen: "de beste recensent, die we hier hebben, kind."

En nu... Vermeulen is terug en meer en meer kom ik tot de overtuiging dat "m'neer Heuckeroth" gelijk had. (Ook al omdat m'n dochter me een stuk proza van Matthijs Vermeulen liet zien, dat op school, gymnasium 5A, door den docent behandeld was.)

Mengelberg is weg en zal hoogstwaarschijnlijk niet terug komen. Ik ben Jodin. Verheug ik me erin? Neen, neen en nogmaals neen. Of hij schuldig is of niet, of hij kwaad deed of niet, hij is Mengelberg. En hiermee bedoel ik dit: ik weet niet eens of het Duitsche volk in zijn geheel, of er één "Duitscher schuld" heeft aan de catastrofe van 1940. Dus ook hij misschien niet.

Maar het overkomt me dikwijls en het laatst bij de uitvoering van Strauβ' Ein Heldenleben, met Kleiber, dat ik mezelf gelukkig prijs, dit werk ook "anders" gehoord te hebben.

Want, en dit zou ik zoo erg graag juist van U willen weten: vindt U ook niet dat er met Mengelbergs heengaan iets uit en van het Orkest is heengegaan, dat we niet meer terugkrijgen? U zult misschien het antwoord geven, dat ik al zoo vaak kreeg: "och zeur niet, jij idealiseert en we staan of vallen heusch niet met Mengelberg, de hemel zij dank."

Dan doe ik er het zwijgen maar weer toe, maar ben alles behalve overtuigd.

Geachte Heer Vermeulen, er rest me nu nog alleen U te vragen mij niet kwalijk te willen nemen, dat ik zoo onbescheiden lang Uw aandacht vroeg. Ik zou zelfs niet kunnen zeggen, waarom ik U dit alles schreef. Misschien alleen maar uit lust dit alles eens op te schrijven. Jammer dat U nu juist het slachtoffer moest zijn. Maar... de vacantie nadert!

Inmiddels, met de meeste achting,

Ro Cohen

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. Zie: 'Brokje muziekgeschiedenis' in De Groene Amsterdammer van 3 juni 1950.