19481003 Piet Tiggers aan Matthijs Vermeulen

Piet Tiggers

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 3 oktober 1948

Amsterdam-C., 3/10 1948

Matthijs

Het staat er inderdaad ellendig, dat woord absoluut. Niemand leest er uit, dat ik het werk zèlf heb bedoeld. Bovendien moet ik je toegeven, dat mijn oordeel over de uitvoering van een miezerige minzaamheid is. Ik wàs ook een beetje onder de indruk van het werk. En diep in m'n denken had het me niet eens kunnen schelen of ze het met harmonica's hadden uitgevoerd. Of met blokfluiten. Minzaamheid is een naar iets voor een criticus. Ik lees het stukje met veel ongenoegen nu over.

Van Carl Ph.E. Bach is nog geen behoorlijke monographie verschenen. Het schijnt dat Cherbuliez in 1940 een monographie heeft geschreven. Met een paar woorden las ik er iets over in een Duits tijdschrift. Carl moet "Die Kunst der Fuge" genoemd hebben "ein Lehrmeister, der sich das Geheimnis der Fuge oft teuer genug bezahlen läszt". Indien dit juist is, dan heeft hij het werk zeker niet laten drukken. Misschien zijn deze woorden uit Burneys "Tagebuch einer musikalischen Reise", Bnd 3, pg 198, waarin een autobiographie van C.Ph.E. Bach is opgenomen. Maar Burney heb ik niet. Het [is], meen ik, in de U.B.

Volgens Graeser ontbreken in het Berlijnse manuscript de contrapunten IV, X, XIII, en XIV. De volgorde is daar heel anders dan de drukken. Berlijn heeft: I, III, II, V, IX, VI, VII, XII, VIII, XI, XV, XVIII, XVI, || op losse vellen: XVII, XIX. Koraal. Ik zal nog morgen verder snuffelen. Aan Schweitzer hebben we niets. Pirro evenmin. Kurth ook niet, geloof ik.

Groet de lieve Thea. Dàg. Ik ga gauw stukjes maken voor de krant van Maandag.

Piet

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA