19460607b Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 7-8 juni 1946

7 Juni (11 uur) '46

Lieve Matthijs, het is vandaag die verjaardag van Engeljan. J. is vanmiddag naar Utrecht vertrokken om bij hem te eten met Reinink en zijn vrouw.1 Morgen gaan ze dan in de departementale auto voor hun Pinkster-uitje naar Limburg. Ik zou niet precies weten te zeggen wat haar gedreven heeft om het toch te doen. Zij is vast van plan, zegt ze, om daarna het contact te verbreken. Maar dit wilde ze nog doen om een vriendelijke afronding aan het voorbije te geven, vooral omdat zij verleden Zondag hem met zooveel verwijten en kleinigheden aan boord is gekomen, die van dat samenzijn, ondanks dat ze zich zoo het tegendeel had voorgenomen, toch weer een ruzie hebben gemaakt. Zij hoopt nu dat dit uitje heelemaal alleen vriendelijk zal zijn. Als dat werkelijk lukt, ben ik bang dat er zoo weinig aanleiding zal zijn daarna om dan ineens te breken; Engeljan zal daar niets van snappen en als alles vriendelijk verloopt zal zij zelf haar voornemen van nu misschien weer vergeten. En dan zijn we weer net zoo ver als altijd. Wij hebben het daar ook over gehad, maar zij zegt dat zij nu een soort tegenzin in hem heeft, wat zij nooit eerder heeft gehad. Ik vond dat zij in een goede gesteldheid vertrok, aanmerkelijk heiliger dan de vorige week, toen zij zelf meende "te paard te zitten" en door den H. Geest verlicht te zijn. We hebben vanmiddag nog een gesprek gehad, waarbij me iets inviel dat, geloof ik, wel goed gewerkt heeft. Er was een brief van Paul [Reiff] gekomen. J. had hem van deze laatste ontrouw geschreven en van haar neiging om het op te geven en zij had Paul gezegd: jij had eens met Engeljan moeten praten, dat zou hem geholpen hebben. Nu is het antwoord van Paul: nee, dat zou niet geholpen hebben, we zouden over een kloof met elkaar gepraat hebben, want Jan, die zich op het punt van de erotiek een groot Kunstenaar of althans een groot Bohémien voelt, wordt door mij in dit opzicht burgerlijk gevonden. J. is het daar natuurlijk niet mee eens en ik heb haar toegegeven dat ik het woord niet heelemaal to the point vind, maar J. drukte het zelf anders uit: zij zei "hij haàlt het niet". Het zou een goed ding zijn als zij daar definitief van overtuigd raakte. Wat Paul zegt maakt indruk op haar en zij moet op dien brief natuurlijk antwoorden en kan het dus niet naast zich neerleggen. Nadat wij hierover een beetje gepraat hadden, zei ik ineens (en dat was, geloof ik, nogal een goede inval): er is één ding gelukkig – je zult niet gelooven dat er iets gelukkig kan zijn – maar er is één ding gelukkig: dat is dat jij je niet naar beneden hebt laten halen (daarbij trok zij een bedenkelijk gezicht), dat jij je eischen ten opzichte van de liefde hoog gehouden hebt. Dat gaf haar een heele ontspanning, want zij had den laatsten tijd altijd het idee dat al het praten dat zij deed en wat Engeljan zoo vreeselijk vond, het altijd weer aankomen met haar hoogere eischen en haar hoogere visie, dat dat verkeerd was. Nee, zei ik, het was niet diplomatiek, maar het was niet verkeerd. En daar bouw ik nu een beetje op: dat zij uit een herwonnen fierheid haar kracht zal kunnen putten. – Verveel ik je erg? Je begrijpt het natuurlijk wel, dat het mij erg bezig houdt.

De vampyr heeft net nadat ik je geschreven had opgebeld: heel verheugd; ze had al den heelen dag gedacht dat ik haar hielp, alles liep weer een beetje mee, en toen kwam ze thuis en vond het gelukssymbooltje. Zij is gevoelig voor zooiets en je hebt haar werkelijk voor een tijdje weer wat nieuwe fut gegeven, denk ik. Grazie tante! En slaap lekker.

Zaterdag, in haast: Woensdag avond 21.45 Elektra en Sopr. H. Hilversum I 301 m.

Een omhelzing, een innige, van je treurende, 3 dagen zonder brief zittende

Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. Hendrik Jan Reinink (1901-1979), in 1946 secretaris-generaal op het departement voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, en zijn vrouw Dori.