19460501 Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 1-3 mei 1946

1 Mei '46

Liefste, het wordt vandaag maar een kort praatje. Als er van jou een brief was geweest, had ik vanochtend in bed wel teruggeschreven, want ik ben er nog tot 11 uur in gebleven, maar het was Woensdag – en aangezien ik op de vorige brieven heel uitvoerig geantwoord had, was er ook eigenlijk niks te kwebbelen. Eèn ding viel me alleen ineens te binnen: Webern. Hij is niet door een familielid doodgeschoten, maar er was een [familielid], een S.S.er, die gezocht werd en omdat W. bang was voor een vergissing, heeft hij Mödling verlaten en is ergens in Kärnten gaan zitten. Daar is hij door een Amer. soldaat pardoes doodgeschoten. Er was gebod om 's avonds om 8 u. binnen te zijn en W. is na 8-en in de tuin een cigaret gaan rooken. Dat is zijn noodlot geworden. Houd jij van die ontbindende, ontbonden muzieken van hem? Er is iets aangrijpends in. Ik heb hem eens ontmoet in Weenen, hij was weinig toeschietelijk, niet zoo vriendelijk als Berg, vinnig, driftig, intelligent; een fijn hoofd had hij om te zien, en er was ook iets zachts in.

Onze Friesche stoeltjesklok is vandaag gerepareerd thuis gekomen, het huwelijksgeschenk van de Derkinderens. Hij was zeker al wel 20 jaar kapot, kon hier schijnbaar niet gemaakt worden. Nu heeft onze vriend Speyer, die Friesch-Joodsche antiquair, hem naar Friesland gestuurd. Het moest f 75,- kosten, maar aangezien hij verzot op "rulen" is, vroeg hij of we niets hadden. Dat was niet veel meer, want tijdens den oorlog hebben we alles wat we kwijt wilden, verkocht om te eten. Maar bij de opgeborgen koper-boel was een ding tevoorschijn gekomen dat wij verkoopen wilden en met 2 onbruikbare, leelijke fruitschalen en een zoodje boeken van ons en van A. nog wat, vond hij dat de ruil gesloten was. Wij waren daar heel content over: de rommel uit huis en de klok weer heel. Nu moet ik er nog aan wennen dat hij slaat 's nachts.

Het is nu half 7, ik lig nog even te rusten voór ik me straks ga aankleeden voor de "partij". De H.E.'s komen niet en Bertus en Leentje niet, de Sondaars niet en Maas niet – ik heb idee dat het niet zoo'n èrg geslaagd feest wordt: geen muziek – vederemo.

Donderdag

Vannacht om ½ 3 had ik je nog goede nacht willen zeggen = schrijven – ik dacht dat ik dit papier nog op het blauwe slaapkamertje had liggen, maar ik merkte dat ik het naar beneden had gebracht; toen dàcht ik alleen "bonne nuit". Dank zij de goede consumptie was het feest heel leuk, de menschen zelf waren aanvankelijk niet zoo bijster geanimeerd. Het was erg jammer dat beide Bertussen (Sondaar én kleine Bertus) hadden afgezegd. Daardoor was er geen muziek, alleen een beetje van ons. Ik dacht onderdoor telkens en telkens aan je. Hopend op je brief van straks, ben ik

t. à t.

Thea

2 Mei '46

Matthijslief, je moet, als je de volgende week mijn onnoozel briefje van vanochtend en dit nog armetieriger krijgt, nog maar wat graaien in die (onverteerbaar) lange van de vorige dagen. Het is weer eens vasten voor me: als alles goed gaat, is het morgen 72 u. dat ik heb gewacht. Je weet hoe het gaat: aan den eenen kant verlang je meer, aan den anderen minder, omdat je gaandeweg verschrompelt. Van binnen noch van buiten heb ik iets beleefd om je te vertellen. Vanochtend hebben we afgewasschen en opgeruimd, met Mimi en Paul, die kwamen helpen en meteen napraten. Vanmiddag heb ik tot ½ 4 in bed gelegen; kon tot mijn ongenoegen de slaap niet vinden. Daarna les gegeven. Vanavond het een en ander geadministreerd en gestopt. Het is nu pas kwart over 10, ik hoop een beetje lang te slapen. – Van een van die menschen, die zoo woedend waren over mijn M.P.-kritiek, heb ik op mijn brief een heel aardig antwoord gekregen. De man is nu overtuigd van mijn goede trouw en is een medestander geworden. Dat doet me wel plezier, omdat ik al zoo'n idee had dat met dien man wat te beginnen viel. Ik had hem geschreven: De vinnige toon van uw brief heeft me niet alleen geamuseerd, maar ook goed gedaan, want hij geeft mij het vertrouwen, dat u, mocht de Bach-Ver. zich gaan vernieuwen, daar ontvankelijk voor zou zijn. Ik dacht: ik zal eens zien of ik op deze wijze niet van een vijand een vriend kan maken. En dat is gelukt. Nu moet ik nog een juffrouw antwoorden, die me "de noodige religieuse verdieping" ontzegt om de M.P. te kunnen begrijpen. Morgen maar eens zien of me voor dat mensch iets geks te binnen valt.

Hoe vind je den brief van onzen binder?1 Is dat niet leuk? Dat is een dierbare band, dien we met dien man hebben. Zijn vader was een typisch Amsterdammertje, "een geboren Spuistraater", verknocht aan Pappie. Toen die man gestorven was, is J. naar de begrafenis gegaan en toen moest ze voorop loopen met den afgevaardigde van den bond van boekbinders! Ze hebben dat reusachtig geapprecieerd; en toen J. verleden jaar, in het begin van onze hongersnood, naar dien zoon toeging, denkende: hij met zijn onverstaanbaar, binnensmondsch Amsterdamsch is zeker illegaal werker en kan misschien wel aan eten komen, toen heeft hij direct 10 kilo aard. meegegeven en kwam met Kerstmis plotseling met een heele bezending levensmiddelen aan.

[naschrift in bovenmarge van p. 5:]

Vrijdag

Heerlijke brieven vandaag van je. Mille fois merci. En dat is nog niet genoeg! Wees innig omhelsd door je

Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. De Amsterdamse boekbinder W.H. Langerveld.