19460423 Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 23-24 april 1946

Dinsdagmiddag 2¾ uur

Ma toujours et partout présente Théa,

ik zit hier op de bank van 't perron van Louveciennes, nog vijf minuten tijd; je tuinboonen hebben me tijd gekost; vervelend van die dingen dat ze een voor een met de tanden moeten worden fijngemalen; of hoe doe jij dat? Ik was daarjuist, op weg naar hier, fantastisch, fantastisch! opeens begon ik componist weer te worden. Zonderlinge sensatie. Als ze voorbij is kun je er nauwlijks over spreken, als je erin bent evenmin. Iets als "centrum van 't heelal". Ik heb overigens een dezer dagen gehad wat je zou kunnen noemen een aanvechting. Plotseling zei me iets: Nu ben je weer opweg naar de journalistiek, je bent precies even ver als in 1909, als in alle verdere jaren. Dat was op den dag van den brief van Jany en het heeft me tot den volgenden morgen achtervolgd. Per slot concludeerde ik: In je vijfde symphonie (we zitten in onzen rollenden gondel) heb je iets bereikt dat, hoe ook, goed of niet goed, de eerste vijftig jaar door geen enkelen componist zal worden ingehaald noch minder voorbijgemarcheerd, en wat voor je zelf op 't oogenblik misschien evenaarbaar, doch technisch niet overtrefbaar is. Wat voor nut heeft 't om iets te herhalen op 't zelfde niveau, in dezelfde serie? De hoofdzaak blijft om innerlijk vooruit te gaan, en wanneer dat voldoende gebeurd is dan komt het realiseeren in muziek vanzelf. Ik dacht ook: je hebt eenmaal gezegd dat je alles nemen zult gelijk het komt, je hebt je in handen gegeven van den creëerenden geest; houd je dan daaraan en verder uit. De litteratuur, de journalistiek komen, neem ze dus als welkom, het componeeren zal ook wel weer komen op zijn tijd. Dat zijn steeds moeilijke uren voor me. Daarom hoor ik eigenlijk niet graag mijn muziek. Zij brengt me uit mijn voegen. Zij voert me tot een toestand van enthousiasme welke ik nergens gebruiken kan. (Het schuitje schommelt heusch te sterk!) Het panorama dat je van St Cloud over Parijs hebt van Sacré Cœur tot Eiffeltoren, op den groenen voorgrond van 't Bois de Boulogne is werkelijk een meester-werk, van een grooten menschelijken meester in de tien-duizendste macht en die over den tijd beschikt. De lucht is van een licht-grijs doorzichtig blauw. Alles zóó mooi dat je er geen raad mee weet. (Wij zijn in Paris St Lazare, de uit den dood herrezene!)

In den métro, stampvol, staande, en geweldig geschud, gedrongen. Het onmogelijke doen – en het even goed kunnen nalaten – waar hoort zulk een idee thuis? Ik geloof in de sferen van het goddelijke.

Ik dacht daarjuist: vele gemoedsbewegingen zijn beschrijfbaar, noteerbaar, doch zijn ze ook bespreekbaar? Nu kan ik je bereiken door deze teekens. Als je hier was zou ik je enkel kunnen bereiken door de oogen. (Ik ben ongeveer gearriveerd. Un baiser de Paris!!! et de Matthijs!!!)

In de métro; 10 uur.

Toen ik bij de Onnen’s binnenkwam was de sonate juist begonnen en werd niet onderbroken. Het was "pakkend" voor me om opeens in mijn eigen regioon te komen waar ik zoo zelden ben. Na 't eerste deel hebben we even gepraat. André Jolivet, Fr. componist, was er ook. Alles in een buitengewoon sympathieke stemming. Geen complimentenmakerij. De uitvoerders zijn door de sonate meegesleept, en 't is, goed beschouwd, voor zoover ik het weten kan, de eerste keer in mijn leven dat ik spontaan en oprecht enthousiasme ontmoet, een animo waaruit ik onbedrieglijk merken kan dat de muziek waarlijk leeft voor de vertolkers, dat zij hun uiterste best doen, voor geen enkele moeite terugschrikken, doch dat het hun tegelijk vreugde verschaft om zich voor die muziek uit te sloven. Het is de eerste keer dat ik zoo iets in levenden lijve ondervond en het gaf me plezier.

(In een wachtkamer van het station)

Ik ben heel tevreden over Paul Tortelier. (Hij is zelf componist) Zeer accuraat. Laat zich zeggen wat noodig is. Vraagt mij ophelderingen of maakt opmerkingen welke noodig zijn. Hij heeft als violoncellist exceptionneele kwaliteiten. Hij zal ook spelen in Berceuse van A.D. dat op de concerten welke Lia en hij geven wordt uitgevoerd met Andrée Pérugia als cantatrice.1 Ik heb goede herinneringen (auditieve) aan Pérugia en hoop dat ze gemotiveerd blijken als jij ze wellicht hoort.

Er is hard gewerkt, wat me altijd genoegen doet. Merkwaardig dat zelfs een componist als Tortelier (wel niet authochtoon, maar toch begaafd) alleen maar de letterlijke, graphische kant ziet van het noten-schrift. Als ik zóó ervaar hoe onmisbaar de auteur is, laten we zeggen hoe gewenscht zijn aanwezigheid, dan begin ik wel respect te krijgen voor de traditie en persoonlijke overlevering! Want in muziek heeft men altijd de keus tusschen verschillende interpretaties, en ik zou haast zeggen hoe beter, hoe rijker de muziek is, hoe meer interpretaties zij uitlokt, wat niet verhindert dat de opvatting van den auteur de meest juiste kan zijn.

In den trein; maar hij zal nog ½ uur stilstaan.

Gedineerd bij de Onnen’s. Onder het eten vertelden Frank en Lia me de geschiedenis van Tortelier welke ik een treffend voorbeeld vond van de materialiseeringskracht der gedachte.

Zijn moeder was dienstbode; zijn vader meubelmaker. Toen de moeder nog meisje van 18 jaar was, wilde zij reeds een zoon die violoncellist zou zijn, omdat de cello een instrument was dat haar beviel. Toen ze trouwde kreeg ze eerst een dochter; pas acht jaar later het kind van haar wensch. Tegen den wil van den vader heeft zij dien jongen heelemaal opgekweekt tot wat hij is, hem goede leeraars uitgezocht, etc. En dat van een dienstbode zonder ontwikkeling, maar die op een goeden dag een impressie kreeg waaraan zij trouw bleef een kwart eeuw lang om die impressie opnieuw te verwezenlijken door een schepsel van haar eigen bloed en eigen handen. – Het tragische voor zoo'n moeder lijkt me dat zij haar schepsel later moet afstaan aan een andere vrouw, en dit voortdurend weet. Wat natuurlijk met Tortelier ook gebeurd is. Hoewel pas in 't begin der dertig heeft hij reeds een tweede echtgenoote, een violoncelliste van 19 jaar. Ik hoorde laatst in de radio toevallig het Concerto van Haydn gespeeld door Tortelier, met een cadens in 't eerste deel die mij zoo superieur leek dat ik er den componist graag van geweten had. Ik vroeg 't vandaag aan Tortelier. Hij was zelf de auteur van die cadens! Dat deed me werkelijk plezier. (Wij rijden) Hij is me zeer sympathiek. Naief genoeg, schrander, geneigd tot enthousiasme, tot vuur, en in staat het uit te drukken op zijn instrument. Ik hoop dat hij jou ook bevallen zal wanneer je hem in Holland ziet. Jammer dat de sonate niet op een concert gespeeld wordt en enkel voor de Radio. Zij willen er volgend seizoen mee terugkomen op een concert-tournée. Ik zou wel haast denken, te oordeelen naar den weerklank, welken het werk vindt bij deze vertolkers, dat de menschen rijper zijn geworden voor deze muziek. Wanneer 't voor de laatste maal gespeeld is in Amsterdam heb ik vergeten; dat zou ik Anny moeten kunnen vragen; zij was mijn geheugen voor zulke dingen en nog een hoop andere; ik heb haar in dit opzicht zelfs gemist in 't begin, want ik rekende altijd op dat goede geheugen van haar! Ik weet dus niet waar je was toen. Ik weet trouwens heel weinig van je voormalig leven en als je me bij geval niets te schrijven zoudt hebben dan kun je mij daar altijd van vertellen. Al was je echter in A'dam geweest toen de sonate gespeeld werd, ik geloof niet dat je zoudt zijn gaan luisteren, want je "zag" me niet als componist. Dat schijnt me ten minste.

We naderen Louveciennes; we schudden vervaarlijk. Het zou leuk zijn nu een brief van je te vinden thuis.

In huis 12½ uur

Het leuke is, hoop ik, voor morgenochtend. Ik heb nog een bord pea-soup gegeten die ik over had van gisteravond. Blij dat ik weer in mijn kamer zit. Ik houd heelemaal niet van een stad wanneer ik er niet flaneeren kan. Boven de grond, onder den open hemel bewaart een stad nog wel iets herkenbaar menschelijks, iets individueels; maar in de onderaardsche gangen van de metro verliest alles zijn laatste restje physionomie, en doet me denken aan door een bizarre mechaniek voortbewogen poppen.

Slaap lekker, liefste; ik zoen je heel zacht even je borst, de linker en de rechter, mijn beweegster, mijn Thea.

Woensdagmorgen 24 April

Mijn schat, mijn onwaardeerbare schat, het leuke is gekomen dezen ochtend.

Maar waarom is het leuk dat zoentje en het palmtakje?! Waarom zeg je 't me niet in "ronde" woorden!? Waarom moet ik gissen?! Ik had je al willen vragen: aan welke gemoedsbeweging, aan welken ziels-impuls van Thea dank ik dat takje? Zeg het me!

Heel goed dat juffershondje van je! Heel juist! Het amuseert me. Maar gebruik dien term zonder eenzijdige minachting, en met een juiste kennis der zaken. Vergeet niet dat juffershondjes zeer bijzondere dieren zijn! Bevoorrecht boven menig schepsel dat, naar ons oordeel, die bevoorrechting méér schijnt te mogen opeischen. (Maar wat weten wij ervan??) Als wij echter de juffers misprijzen omdat zij haar affecties niet beter plaatsen (mògen wij ze echter misprijzen?? alles is zoo geheimzinnig, zoo gecompliceerd!!) laten we niet daarom ook de hondjes verachten! Het zijn buitengewoon subtiele, sensitieve, zich inlichtende dieren. Geenszins zou het me verwonderen dat zij (wanneer wij alles wisten) de affectie der juffers verdienen! Ik wou wel hun neus hebben, en daarmee het begrip van vele dingen waartoe zij komen door middel van hun neus! Ik zeg je dat lachend, lieverd!, maar in vollen ernst. Een mensch met zulken neus, en hierbij het redeneerend intellect, dat is één der trappen van de volmaaktheid! Ik heb slechts gedeeltelijk dien neus. Ik zou hem willen bezitten in de perfectie!

Je eerste reactie was dus uitstekend. Je hadt je niet hoeven te herstellen. Ik had er wel bij willen zijn. Je was natuurlijk verontwaardigd. Kwaad! Wat zouden we gelachen hebben!

Heel goed ook dat ik je eens tegengevallen ben! Maar laat me doen, Thea-lief. Ik zei je al, meen ik, dat ik me uitsluitend laat richten door het instinct. Ik moèt dat. Ik kàn niet anders. Als ik me liet richten door de Rede-alleen verroerde ik geen pink. Kan mijn instinct zich vergissen? Theoretisch, ja. Altijd oppassen, dus. Controleeren. Praktisch màg zich mijn instinct, en kàn het zich niet vergissen!

Ik ben blij ondertusschen dat ook "die menschen" mijn kamers niet willen! Ik weet niet waarom, doch ik circuleer daar gaarne onbelemmerd. Die honderd gulden kunnen me niets schelen! Ik heb goed praten, vin-je niet!! Maar jij, die van nature zoo royaal bent, in den letterlijken zin, wees hier niet zoo "regardant"!!!

Met je mal'occhio2 kun je twee wegen kiezen. Òf haar vierkant aan de deur zetten, wat ik heel goed zou vinden, òf je innerlijk zóó harnassen dat je haar ondeerbaar trotseeren kunt, wat mij in jouw geval gewaagd schijnt, misschien voorloopig onbereikbaar. Zet haar dus vierkant aan de deur, provisorisch. Geef haar niet mijn kamers. Ik heb nooit in mijn leven zulke wezens ontmoet. Anny daarentegen voortdurend. Die wezen[s] schijnen aangetrokken te worden door een te veel aan beminnelijkheid, welke zij niet weten te waardeeren, welke zij misschien onbewust haten (omdat zij ze missen) en welke zij misschien onbewust trachten te verwoesten. Zet haar dus tot nader order (!) vierkant aan de deur. Weer ze van je af zooals je een microbe of andere schadelijkheid afweert. Maar wees er niet bang van ook al maakte ze je twintigmaal ziek. Dat is uit! Dat is afgeloopen!

Ik haast me want ik kreeg een mededeeling van Air-France dat er te Parijs een coli uit A'dam voor me ligt en ik wou dat vanmiddag gaan halen.

De rest straks; misschien in den trein! Dank voor alles; dank voor je liefde, dank voor je kwaadheid (!?) dank voor je armen om me heen, dank voor je lippen, dank voor de gansche

lieve Thea van je

Matthijs.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. Bedoeld is Noémie Pérugia.
  2. Bedoeld is Thea's lastige Weense vriendin Marjory.