19460411 Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 11-12 april 1946

Louveciennes

11 April 1946; 's avonds

Mijn lankmoedige, mijn goedertierene,

ik begin hem hoe langer hoe meer een triesten sire te vinden, dien Reeser van je! Het is je reinste verlakkerij wanneer iemand je op den dag van een concert komt verkondigen dat de acoustiek der zaal niet deugt, tenzij die zaal gebouwd werd met de wonderlamp van Aladdin. En dan nog! Hoeveel zalen in Holland en in de wereld hebben een goede acoustiek? Je kunt ze tellen op je vingers! In de onmogelijkste lokalen nochthans (de meeste kerken zijn niet veel beter!) drenst het lange jaar door een tamme muziek. Werden de Rotterdammers eensklaps dermate hardhoorig of dermate fijnbesnaard in hun buis van Eustachius? En dat ontdekt die Reeser op den morgen der uitvoering? Daar verdient hij een monument voor! Maar hoe hou jij dat uit? Ik wil je niet ophitsen. Maar hoe kun je zoo'n vlerk nog zien! Dat is een van de verschillende zaken waarover wij 't eens moeten worden. Om je de waarheid te zeggen verwondert me de passiviteit waarmee je mij zulke tijdingen bericht: eerst zijn terugkrabbelen met het boek, daarna het aflasten der A'damsche Diepenbrock-herdenking, en nu dat onbeschofte gesol in R'dam. Drie Reeser-débâcles. Een officieel personnage. Mooie manier van omspringen met nationale grootheden. Mooie manier om er figuren van te maken op internationaal niveau, zooals die Reeser-kinkels dat noemen, die opgeblazen kikkers. En jij wordt zelfs geen pietsje boos? Je zult zeggen: waar dient dat toe? wat kun je daar aan veranderen? Dat staat nog te bezien. Maar mij schijnt passiviteit heelemaal geen nuttige en hygiënische zielsgesteltenis. Het gaat er net mee als met je fantastische bereidwilligheid voor iedereen. Hoe meer men zich voor de menschen uitslooft hoe ergerlijker egoïsten je van ze maakt, die je per slot verwijten dat je niet met een glimlach je voor ze laat villen. Zoo is mijn ervaring, dans ma modeste sphère, en 't zou me verbazen wanneer je niet tot dezelfde conclusie komt als je eventjes nuchter rondkijkt om je heen. En hoe meer je de menschen laat betijen en brallende redevoeringen houden, en snert-stukkies schrijven, hoe minder ze een poot uit den mouw steken. Dat is óók mijn ervaring. We moeten 't daar absoluut over eens worden! Want ik ben best in staat, en ik zal 't zelfs niet kunnen laten, als de dingen me niet bevallen, om mijn medewerking aan De Groene in September te inaugureeren met een goed gedraaid pamphlet. En als de Groene niet wil dan de Vrije Katheder. En als Wiessing soms bang is dan ergens anders, of liever niets. Maar honderdmaal liever niets dan een lofzang voor de bierkaai, in het gemengde koor van Mensch & Cie. Wij moeten 't daar volmaakt over eens zijn. Je moet je goed voor oogen houden dat zij, die me weer tot de journalistiek brengen, een knuppel in 't hoenderhok gehaald hebben. Ik weet niet of zij zich rekenschap daarvan geven. Maar ik wel. Mijn handen jeuken me reeds sinds lang! Als ik van leer trek kun je verwachten dat de spaanders er af zullen vliegen. Ik heb geen illusies. Of beter: mijn illusie is de muziek. Daarom heb ik nog geen enkele mijner oude streken verloren.

En dat moet eveneens vanzelf gaan!

Ik waarschuw je dus voor den tweeden keer, liefste. Ik ben intransigent en intransigeerbaar! Met snurkers als Reeser (en daar ontbreekt 't niet aan) krijgen we ruzie. Denkelijk met nog een heele bende anderen. Durf je? Stel 't je niet tè gevaarlijk voor. Maar toch tamelijk onweerig.

Ziezoo. Dat lag me den ganschen dag op de maag. 't Is er af nu. Ik heb Jany geantwoord dat mij 't best dunkt om de affaire van De Groene zoo te regelen voor me, dat ik me verplicht tot vaste bijdragen, want wanneer ik niet genoodzaakt ben door een verplichting dan wordt 't licht spijbelen bij mij zoo gauw ik maar kan. Wij zullen wel zien wat dat zaakje wordt. Die brave lobbes van een Paap met zijn 9000 abonnés heeft me weer een nieuwe aanmaning geschreven: alle Ned. musici doen mee; ik kan daarbij volstrekt niet gemist worden. Ook Wiessing vraagt me een artikel, dato 5 Apr.; hij was zeker wakker geschrokken door de kranten; hij kan 't hebben in Sept. Wat een misselijk gezwets is dat dunne brouwsel van Sanders! En de Hanecroot die zoo genoegelijk dompig de dompigheid van vroeger herdenkt!

Ik moet vannacht eens stevig slapen, want vanochtend om 6 uur werd ik al gewekt door de zon. Mijn hart heeft dezen dag ontelbare malen Thea, Thea geroepen, en mijn laatste woord is elken avond Thea. Eentonig, vindt je? Neen; evenmin als 't koeren van de duif, of liever van den doffer. Ik bemin je, Thea; ik omarm je, Thea; slaap lekker, mijn lieve Thea.

12 April, Vrijdag.

Mijn liefste, mijn liefste, (hoe zal ik je noemen vanochtend?) mijn liefste ik kan je vandaag niet anders noemen dan mijn vrouwtje, ik mòèt je noemen mijn vrouwtje liefste, – neem die voorgaande bladzijde wel à la lettre, maar toch niet te veel à la lettre. Alles zal zich schikken. Het scheepsroer is in de middeleeuwen niet uitgevonden voor niets! Wij varen de zee in samen. Maar wij zullen de klippen vermijden en zelfs de stormen!

Dezen morgen je brief van 9 April, dien ik las avec la plus grande, la plus intime compassion. (Ik zeg niet pitié; doch compassion. Daar is een enorm verschil tusschen.) Ma pauvre Théa, ma chère Théa. Toch verschafte die brief mij een groote gerustheid. Sinds 4 dagen had ik niet aan 't boekie kunnen werken. Ik vreesde dat ik totaal was vastgeloopen; dat mijn hersens stilstonden. Doch na je brief heb ik mijn wielen uit het zand kunnen krijgen en ben vooruitgekomen!

Je vraagt me nog wat jij me seint? Wij zijn verbonden, ik althans aan jou, en de Hemel weet sinds hoelang, als tweelingen, als die min of meer fabuleuze tweelingen waarvan de dagbladen in den komkommertijd verhalen dat de een kiespijn heeft op 500 k.m. afstand wanneer de ander daaraan lijdt. Of de overeenstemming tusschen Thea en mij óók physisch is, daar durf ik niet op zweren, want om dit te controleeren zou je me alles moeten vertellen wat je lieve levende lijf betreft, en dat deedt je nog niet, hoewel ik 't graag zou hebben. Maar zonder eenigen twijfel beïnvloeden jouw gemoeds- en ziels-bewegingen op de subtielste, geheimzinnigste en sterkste wijze de mijne. Jij hadt op Dinsdag 9 April een beroerden dag. Ik had dus eveneens (en zonder geldige oorzaak) een uiterst beroerden dag. Je hoeft den brief maar te lezen welken ik je dien avond schreef. En ik ben er zeker van, als ik je van elken dag precies noteerde wat er in mij "omgaat", dat daaruit een correspondentie zou blijken welke nog nauwer is dan ik reeds constateer. Doch dan zou jij ook alles moeten noteeren; het experiment ware wel de moeite waard! het kost echter te veel tijd, en het zou ons heelemaal absorbeeren, wat me niet gezond schijnt! Het vervelende voor mij is, wanneer ik die golven van je ontvang, dat het instrument der hersens, waarheen ze vanuit mijn "binnenste" worden doorgeseind, niet wéét en niet kàn weten in welke begrippen het die gevoels-stroomen van jou moet omzetten. De hersens willen die stroomen transformeeren in idee (wat hun rol is). Maar zij hebben de keuze tusschen zeer verscheidene interpretaties van jouw seinen. Daarom zou ik zoo gaarne volstrekte zekerheid bezitten omtrent jouw liefde voor mij. Dan hebben de hersens in deze richting, die de voornaamste is, tenminste geen aarzeling meer wanneer zij moeten interpreteeren. Daarom noem ik je vandaag mijn vrouw; op 12 April 1946, 12 uur 's ochtends. En je stemt in met me. Dat zal een hoop vergemakkelijken! (Ik vind van een psychologisch en psychiatrisch standpunt wel buitengewoon merkwaardig en zeldzaam wat er tusschen mij en jou (wellicht ook tusschen jou en mij) gebeurt sinds 17 Sept. Wat je begrepen hebt over mijn "exorbitante gemoedsbewegingen" van vorigen zomer moet je verkeerd gelezen hebben, òf ik drukte mij onaccuraat uit. Vóór 17 Sept. is dat physieke en psychische concordeeren van jou en mij niet doorgedrongen tot mijn bewustzijn.)

In den avond van 9 April herwon ik het vertrouwen. Ik vermoed dus dat ook bij jou dat vertrouwen heerscht en dat je met Joanna in orde bent. Ik maak me sedert lang bezorgd over Joanna. Zij heeft een groot deel, wellicht het grootste deel der mogelijkheden van het leven uitgeput. Het is zeer menschelijk van haar, doch uiterst onrechtvaardig, om jou de schuld te geven wanneer het resultaat haar een mislukking schijnt. Jij hebt Engelj. gezien zooals hij is. Hij is zooals hij is, daar valt misschien niets aan te veranderen. Jij bent niet aansprakelijk voor zijn inhaerente oppervlakkigheid welke je zag, en die je niet anders kon dan zien. Joanna zal wellicht nog veel leed hebben. Wij moeten haar daarin zoo goed mogelijk helpen. Maar het zou Joanna in geen enkel opzicht nuttig zijn in het dragen van haar vermoedelijk leed, wanneer jij je losrukte van mij, en mij ongelukkig maakte en waarschijnlijk jezelf ongelukkig maakte. Dat zou dienen tot niets. Geloof geen oogenblik dat ik jou van Joanna wensch te verwijderen. Integendeel. Die band moet blijven. Al wat ik je laatst voorstelde over een gescheiden samenleven van jou en mij kwam hoofdzakelijk voort uit de wensch om je vereeniging met Joanna niet te storen. Het is natuurlijk verschrikkelijk voor Joanna om te zien dat jij, zonder te zoeken, de liefde vindt, welke zij, hartstochtelijk zoekend, niet ontmoette. (Het leek me soms wel onvoorzichtig van je om Joanna in te lichten over het absolute der liefde welke mij bindt aan jou.) Maar daar kun je niets aan veranderen. Al wilde jij je opofferen aan Joanna dat zou Joanna baten tot niets. Wij kunnen haar samen op een betere wijze helpen. En wij zullen dat doen. Ik heb zoo'n idee als ik Engelj. zie, dat ik hem alleen door hem te zien tot andere gedachten breng! Misschien is dit nonsens. Maar heb vertrouwen! En huil niet te dikwijls. Dat is niet goed voor de oogen!

Nu nog een paar regels over de andere realiteit, en èven liefhebbend, èven vibreerend in Thea. Van morgen ook je blik melk, en je pakje met groente. Wanneer je nog vischkuit kunt krijgen, dan graag. C'était délicieux et ma fille n'aime pas cela, donc pas à partager, effroyable égoïste que je suis!! Mijn broer in Haarlem zendt me vandaag een zakje tarwebloem. Hij bepaalt zich dus niet tot woorden, en ik zal hem moeten antwoorden!

Mijn liefste, mijn Thea, je me sens extraordinairement uni à toi. Heb vertrouwen, jij. Alles zal vanzelf gaan, en goed. Ook voor Joanna. Laat Joanna hetzelfde vertrouwen hebben. Zij moet niet meer twijfelen. Het vertrouwen is een onmetelijke kracht.

Ik hoef je niet te roepen, liefste, ik hoef je niet eens te omhelzen, mijn vrouwtje! Je bent bij me, in me;

Je bent bij en in je Matthijs.

12 Apr. 's middags.

Rectificatie: Twee blikken melk van je en een blik Ragoût. (Erg lekker.) Les belles églantines sur tes boîtes de lait me réjouissent le cœur. Je suis infiniment reconnaissant envers toi aujourd'hui. Que cela dure!

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA