19460325b Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 25 maart 1946

25 Mrt. '46

Lieve Matthijs, ik heb de helft van Peter's recital in den Haag gehoord. Vroeger vond ik het vanzelfsprekend dat ik hem in den Haag ook altijd ging hooren, nu heb ik erover getwijfeld. Hoofdzakelijk wegens de vermoeienis, ook een beetje om joù, hoewel ik dat onredelijk vind, en ten slotte ook een beetje omdat hij er misschien niet meer zoo aan hecht (vroeger had ik ook rekening met hem te houden, nu dacht ik meer alleen aan mezelf.) Als ik de gedachte aan de vermoeienis opzij zette, had ik wel zin om te gaan, maar ik dacht: ik zal het van Greet laten afhangen. Nu bleek vanmiddag dat zij erg graag had dat ik meeging. Zij had n.l. Zaterdag Peter met orkest hooren spelen in den Haag, was daar blijven logeeren en was Zondag meegereisd naar Breda en weer terug, en zij had het in hoofdzaak moeilijk met hem gehad. Ik begreep wel dat ze er graag over praten wilde en ik heb haar ook echt wel een beetje goed kunnen doen. Zij is nu nog gebleven, ik wou niet met dien laten trein pas om ½ 2 thuis komen en ben met de pauze weggegaan (zoodoende zit ik nu aan jou te schrijven). Het mooiste had ik gehad: op. 111 van Beethoven. Ongelooflijk – wat een vreemde, verre, teere en wilde muziek! Ik ben er zeker van dat je genoten zou hebben en dat je met mij gezegd zou hebben: er is niemand die dat Peter nadoet. Ja, deze muziek bedelt om je brand, en Peter gaf dien, gaf zichzelf volkomen. Het was grandioos, ook de opbouw, het overzicht dat hij had over deze innerlijk zoò moeilijke muziek. Ik vond het ineens begrijpelijk – het is een gemeenplaats, maar ik had er nooit eerder aan gedacht – dat hij zich, ondanks al zijn intelligentie, niet kan uiten in het dagelijksch leven. Hij was begonnen met Mozart: ook heel mooi, maar een beetje te weinig vroolijk.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA