19460325 Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 25-26 maart 1946

Louveciennes

25 Maart 1946

Maandagavond

Théa, ma protectrice, mon amour,

ben je tevreden? Vandaag was je sterker in me dan de stralende dag, sterker dan het geluk van alles mooi te zien en radieus. Boven dat geluk, waarin ik ging zonder het te merken omdat ik niets merkte dan jou in mijn eigen geluk. Ik zeg 't je zooals het is, nog vervuld van je in den avond. Zonder exaltatie. Heel gewoon. Je was mooier in me dan de schoonheid van den dag. En nu hij ten einde is wou ik een afspraak met je maken: Wij bezitten samen hetzelfde vuur. Wij moeten 't nooit laten uitdooven. Nooit. Altijd het vuur handhaven en de vlam.

Afgesproken. Voor 't geval mijn brief van dezen middag, waarin ik onhandig (ze waren nog bedauwd) drie primula's stopte, opgehouden mocht worden, recapituleer ik je het voornaamste: dat verdiepinkje op de Heerengracht staat me goed aan; jij schijnt me er "te zien". Ik heb er een gezelligen indruk van; ook parce que ça se précise; prettig idee om niet ver van jou, in A'dam, reeds een woning te hebben. De prijs is redelijk; in verhouding tot mijn inkomen van Augustus. Jammer dat er geen vleugel kan komen. Niet omdat ik hem noodig heb. Maar omdat ik dit instrument (dit werktuig) van jou niet gaarne mis. Er zijn uren dat de muziek tot de liefde brengt. Er zijn uren dat de liefde tot de muziek brengt. Een deel, een machtig deel van jouw wezen zal me er ontbreken. (Ik houd van je toucher, zooals ik van je schrift houd; is dat imaginatie? jij, die vakkundig bent en jezelf kent, moet me dat eens zeggen...) Ik had daarom in mijn kop: als ik criticus word, wat waarschijnlijk is, verbetert ons budget. Kunnen we er de onderverdieping maar vast niet bijhuren? In de veronderstelling dat daar plaats is voor een vleugel. Peins daar eens over, ma chouette. Die behuizing is natuurlijk provisorisch. Maar hoe lang denk je dat ons provisorische zal duren?? Ik laat dat dus over (ook ons provisorische!) aan jou. Merci, mon adorée! – Het andere nieuws dat ik had en niet gaarne verloren zag gaan is: Die vijand van je uit mijn roman heb ik om zeep gebracht. Hij is verdwenen, zelfs zijn cadaver, en nooit wil ik hem terugzien. Dat was een constatatie van Zondag die zich bevestigt. Bravo.

Met mijn artikel over Diepenbrock gaat 't zonderling. Ik heb wel een aantal ideeën doch ze willen zich niet cristalliseeren rondom een centrum. Als ik de eerste phrase maar had dan was ik onderweg, en gered. Ik kan ze echter niet te pakken krijgen totnutoe. En weet je wie hiervan de schuld is? Jij! Je neemt vanaf ik wakker word tot ik inslaap, en misschien zelfs terwijl ik maf, al mijn gedachten, en al mijn denk-vermogens in beslag. Niets aan te veranderen. En als ik onzalig ben nog tienmaal feller dan wanneer ik zalig met je ben. Dat zal zoo duren tot ik in je buurt ben, tot ik niet meer hoef te overbruggen. Door een genade van den Hemel kreeg ik het geheele plan van mijn boekie voor den geest in de minuut terwijl Monnikenennonnekendam me erover polste. Ik zag 't vóór me alsof het af was. Ik had dus slechts te beginnen, als 't ware te copieeren. En maar goed ook dat 't zich machinaal afwikkelt. Anders was er niets van terechtgekomen. Want geen kwartier per dag kan ik aan 't boekie denken, zelfs niet wanneer ik eraan schrijf! En dat is jouw schuld. Heb je ooit zoo iets beleefd? Niets aan te veranderen. Geef me vooral niet op mijn donder hiervoor. Als je kwaad wordt maak je 't nog erger. Het boekie, geloof ik ondertusschen, profiteert daarvan. Want dat ik, als er een zin klaar is, me telkens weer streven moet om een brief aan jou te beginnen, en een dozijn keeren naar mijn wekker kijk hoever de morgen vorderde, ik ben plichtmatig! dat onderhoudt een zekere warmte in het boekie, tot in het didactische toe, en zal de leesbaarheid ten goede komen. Mais tu vois où j'en suis! Het is geen fantaisie wat ik je zeg. Het is een diagnose. Van een toestand dien ik met niets wil ruilen en dien alleen je nabijheid kan verbeteren, als je dit verbeteren noemen mag!

Met je interpretatie van regret infini ben je dicht bij de waarheid. Dit schijnt me des te knapper van je, wijl je niet inventief bent, niet creatief, die zielsbeweging bij ervaring niet kent, en ze je enkel kunt voorstellen met de hersens. Ze is echter gecompliceerder, vertakter dan je ze weergeeft, doch dat komt vermoedelijk wijl je resumeert. Inderdaad kan Hij dat innerlijk binnen-rijk van jou nog moeilijker met iemand anders deelen dan het lichamelijk buiten-rijk van je. Niet evenwel, dunkt me, omdat Hij dat binnen-rijk vierge verlangt. Zeker, toen Hij van je hoorde (maar ik geloof dat Hij 't al wist) dat je buiten-rijk vierge is had hij een zachte-en-wilde opwelling van dankbare voldoening. Hij is echter niet zoo onzinnig om te eischen, te verwachten liever, dat ook je binnen-rijk vierge zou zijn. Zelfs al was je 17 jaar, of al was je 7, Hij zou van nature wel zoo onzinnig willen zijn doch Hij beseft dat zooiets tot de onmogelijkheden behoort, en die regret infini is daar wel, maar Hij laat hem varen. Wat Hij betreurt, wat Hij voelt als regret infini (met lange, langzame scheuten van physieke pijn, zooiets als jicht, maar veel geraffineerder en dat lijkt me zoo vreemd) is, dat Hij er niet bij was toen iemand anders of iets anders in je binnen-rijk doordrong. Hij had erbij willen zijn en hij bejammert dat Hij er niet was. Waarom? Wijl het dan niet gebeurd ware? Neen. Het smart hem enkel dat Hij er toen niet reeds was. Hij had die vreugde willen kennen met jou, en Hij wil ook dat jij die vreugde gekend had met Hem. Hij had altijd aanwezig willen zijn in het geheimste en heiligste tabernakel van dat binnen-rijk van je, daar waar geen mensch en geen ding kan doordringen, en waar Hij nu weet dat je bent bij Hem. Hij ziet dat dit niet kon; dat de tijd vervloog zonder dat 't kon. Vandaar zijn regret infini. Hij had immer bij je willen zijn. Dus niet "dat Hij alleen bestond voor jou". Maar dat Hij immer had kunnen bestaan mèt jou; en elke vreugde van jou, elke vreugde van Hem, hebben mèt jou. Het is dus eigenlijk geen jaloerschheid, hoewel die er ook bij te pas kan komen. Het is meer een gemis. Ik denk dat Hij dit gemis wel altijd zal voelen, zoolang Hij niet met zekerheid weet dat Hij bij je is gelijk jij bij Hem.

Vandaag had Hij die zekerheid. Al vóór je brief kwam. Ik vind 't wel prettig dat Hij zeker is! Wat zeg jij ervan?

Ik heb een heele theorie over die dualiteit (die ik mòèt constateeren) doch ik weet niet of ze nieuw noch of ze origineel is. Deze: Elk mensch verandert op een gegeven leeftijd; omstreeks 15, 16 jaar. Zijn creatieve, goddelijk wezen sterft dan af; (door zijn eigen domheid; of door domheden der opvoeding); maar dat goddelijke, creatieve wezen kan even goed blijven voortleven; het blijft dan hoofd-tak, stam. De redeneerende, profane mensch schiet uit dien stam op als een min of meer groeizaam (hoe groeizamer hoe beter!) zij-takje. Wat zeg je ervan? (Alle opvoeding zou in dezen zin moeten geschieden.)

Nu gaan we afscheid nemen van den dag. Veni creator spiritus, donne-moi l'amour et que je ne fasse rien, que je ne pense rien contre l'amour ni sans l'amour. Ik ben bij je. Wij zijn een. Dors bien, ma Théa.

26 Maart

Dinsdag

Viens, Théa. Ik zei dit toen ik het blauwe papier greep.

Maar je was er al vanaf mijn eerste gedachte.

Gisteravond, zie ik, vergat ik je ergens een zoen te geven. Ik had den dag vergeten in mijn bewustzijn van jou. Verlangend naar je vergat ik den zoen in mijn vereenzelviging met jou. Hier heb je hem, mijn zoen.

Splendide, ravissante journée. Tu chantes en moi, mon alouette, ma Théa. Monte, chérie, monte et chante! Je suis ravi en toi.

Ik schrijf je mijn heele morgengebed, zooals het zich langzamerhand gevormd heeft. Wanneer het regent gebruik ik den hoogen thuya als paraplu.

Merci, Esprit de Lumière, pour cette journée.

Laisse-nous aller, Théa et moi, dans ta clarté vers ta lumière.

Ecarte de moi et de Théa toute pensée mauvaise, méchante, malheureuse, déprimante; d'où qu'elle vienne; surtout si elle vient de moi, écarte-la.

Ecarte de moi et de Théa toute pensée qui ne vient pas de toi, qui ne va pas vers toi.

Ecarte de moi et de Théa toute pensée qui n'est pas en harmonie avec toi.

Ecarte de moi toute pensée qui n'est pas en harmonie avec Théa.

Ecarte de Théa toute pensée qui n'est pas en harmonie avec moi.

Et envoie à moi et à Théa tous ceux de tes rayons dont nous avons le plus besoin.

Envoie à moi et à Théa un rayon de ta sagesse, de ta prudence, de ton intelligence, de ta clarté, de ta sérénité, de ton calme, de ta tranquillité, de ta foi, de ton espérance.

Envoie à moi et à Théa un rayon de ton courage, de ton élan, de ta force, de ton énergie, de ton enthousiasme, de ton ardeur, de ta ferveur.

Envoie à moi et à Théa un rayon de ta bonté, de ta douceur, de ta tendresse, de ton désir.

Envoie à moi et à Théa un rayon de ton amour, et encore un rayon de ton amour, et encore un rayon de ton amour.

Envoie-moi pour cette journée un rayon de l'amour de Théa.

Et envoie à Théa pour cette journée un rayon de mon amour.

Pour tout et en tout je me mets avec Théa entre tes mains. Tu nous conduiras où nous devons aller.

Pour tout et en tout je me mets avec Théa sous ta garde. Eloigne de moi et de Théa tout mal intérieur et extérieur. Eloigne de moi et de Théa tout danger intérieur et extérieur, toute menace intérieure et extérieure, tout dommage intérieur et extérieur.

Pour tout et en tout je me mets avec Théa dans tes bras, comme tes deux enfants. Fais de nous ce que tu veux. Laisse-nous bien faire ce que tu veux. Laisse-nous t'aimer.

Pour tout et en tout je m'en remets avec Théa à toi, pour tout et en tout je me confie avec Théa entièrement à toi.

— —

Vin-je er iets bij te voegen, iets af te nemen? (Terwijl ik dat gebed zeg kan juist mijn thee trekken, sinds ik thee heb; vanochtend deed ik er een plensje in van je melk. Dat mocht wel, vond ik. Heerlijk.)

Dezen morgen je brief van 22. A ce soir pour notre causette. Et à toujours

ton Matthijs

avec toujours mon amour.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA