19460305b Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 5-6 maart 1946

5 Mrt. '46

Liefste, ik heb er tot Leiden (3 kwartier) over gedaan om die drie brieven van vanochtend nog eens over te lezen. Bij de passage over het D.-feest en ons samenzijn in Juli dacht ik ineens: is het wel zoo dat we alleen moeten zijn, dat we heelemaal voor elkaar moeten zijn en met 100% hoofd en hart erbij? Is een geleidelijke overgang misschien niet gewenscht? Het was niet dat ik in die richting wìlde redeneeren, het ging ineens zoo door me heen toen ik nog eens las wat je schreef. Dit is ook een aspect. Ik zeg niet dat het het juiste is, maar ik durf ook niet te zeggen dat het er een is dat zoomaar verworpen kan worden. Wel geloof ik dat we elkaar wederzijds beter zullen bevallen in L. Jij zou allicht wat onwennig zijn, om-niet-veel-mee-aan-te-kunnen-vangen. En ik zou jou waarschijnlijk teleurstellen door wat ik maar zal noemen mijn wereldschheid, terwijl ik je anderzijds misschien zou opwinden door de extra-geactiveerde feestsfeer, die ik misschien over me zou hebben, en het je daardoor moeilijk zou maken.

Matthijs, ik heb het gevoel alsof in één opzicht mijn gevraag en uitgerafel niet goed gewerkt heeft: je hebt meer wrok jegens A.D. dan je had, of misschien is het zoo: door mij is die wrok, die bijna vergeten was, weer boven gekomen. Je zult het me waarschijnlijk tegenspreken (al daarom, omdat ik geen kwaad kan doen in jouw oogen!), wrok is misschien ook een te sterk woord, maar ik voel iets – ik geloof niet dat ik me daarin vergis – dat ik graag anders zou willen hebben. Ook dìe vernieuwing zou Anny je nog moeten geven, dat je daar lichter, zachter tegenover komt te staan. Wil je er eens over nadenken, over deze laatste inbraak van me?

Ik vraag me af of die inbraak door dat avondgebed van me wel een goed effect heeft gehad. Was die siddering, die ik je aandeed, niet een sensueele, terwijl de siddering van vroeger een abstracte was, een hooge-lucht-siddering? Die 12 regels, in 2 uren geschreven, wasemen sterk de aardsche liefde uit, of vergis ik me? Het mag wel, hoor, ik bedoel maar dat het waarschijnlijk "de tuin van Eros" was, waar je binnen kwam en dat je het "ontzagwekkende" niet te hoog moet zoeken. (tenzij er niets hoogers is dan Eros!)

Wat je over de raadselachtige laatste jaren van A. schreef, vind ik heel mooi en voorloopig wel bevredigend (voor mijn vraaglust). Misschien begrijpen we later nog eens wat meer.

Ik denk wel dat ik je erg vermoeid heb met al dat omwoelen, en dat nog wel in Februari! Ik vind ook, al ben ik er niet 3 dagen lang in geboren, Februari zoo'n vermoeiende maand. J. zei een paar weken geleden nog: hoe komt het toch dat we zoo moe zijn? Toen zei ik: Februari, de maand waarin je naar de wintersport, d.w.z. naar de hooge lucht en de zon zou moeten om je te vivifieeren.

Ik nader Zwijndrecht, waar ik moet uitstappen. Er ligt nog overal sneeuw, de lucht is grauw en de wind is nog niet om, het zal dus nog wel even winter blijven. Weet je dat ik Frühlingsglaube gespeeld heb gisteren? Nee, dat weet je niet. Snooderwijze heb ik meer gelet op de afschuwelijke moeilijkheid om dat ideaal-lenteachtig te laten klinken dan op het "alles wenden".

Wat akelig dat die Chostakowitz [lees: Sjostakovitsj] ook alweer niets is. Het is trouwens al een man uit de oude school. Onlangs hoorde ik iets voor orkest, van een paar minuten lengte maar, van een Rus, genaamd Katsjatourian. Dat was ook weer het allergewoonste gestamp, een infantiel wijsje van 4 maten en dat maar ophitsen. Hoe ver ga je met je muziekgeschiedenis? Tot den eersten wereldoorlog?

Aschwoensdag.

Het was vreeselijk, dat Sliedrecht. Een koude zaal, acute, per seconde toenemende verkoudheid, haast niet in te houden hoest. Band kapot van auto terug naar Rotterdam, daardoor laatste trein gemist, geen benzine om door te rijden naar A., terug naar Sliedrecht, lang zanikken, eindelijk tanken, om ruim half 3 thuis. 4 uur in die ijskoude auto. Bertus wilde absoluut niet daar overnachten en ik vond het ook prettiger. Wel zonde van zoo'n overbodige vermoeienis en de onafwendbare verkoudheid. J., wakker geworden op het uur dat ik thuis had moeten komen, was in alle staten, zag zichzelf en joù al in rouw gedompeld. Dag schattebout, ik breng straks pea soup voor jullie weg. Tante di bacci

Thealein

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA