19460220 Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 20 februari 1946

Louveciennes

20 Febr. 1946

Woensdag

Ma Suzeraine,

ik ben gisteravond zeer vermoeid naar bed gegaan, heb geslapen als een zak meel, en werd van ochtend even moe wakker.

Veel te denken over "het geval" heeft mij steeds buitengewoon uit mijn voegen gebracht. Als je er prijs op stelt om mij innerlijk helder, rustig, evenwichtig te hebben moeten wij gesprekken over 't geval zoo veel mogelijk vermijden.

Wat ik precies bedoel met de schalen der balans: eerst die negen jaren van onverschilligheid tegenover je moeder (niets is wreeder, harder tegenover een vrouw); daarna die korte periode van liefde; toen die onmiddellijke ontrouw. Dit schiep in de roerselen een monsterachtige onevenwichtigheid, leegte, en het kòn niet anders dan dat zulk een disproportie op wat voor wijze ook zou worden aangevuld, gecompenseerd.

Ik ben dikwijls boos geweest op hem dat hij dergelijke alle heroïsme tergende onevenwichtigheden geschapen had, en ik heb deze boosheid moeten overwinnen. Je moeder werd geplaatst tegenover een boven-menschelijke taak en verzoeking.

Weet je dat er een philosooph is die een systeem bouwde op dergelijke en andere lotgevallen? Hij was nooit erg beroemd en raakte bijna geheel in de vergetelheid, maar 't zou me niet verwonderen wanneer hij den een of anderen dag vermaard wordt en gezag verkrijgt. Hij heette Pierre Hyacinthe Azaïs, geboren te Sorèze in 1766, gestorven te Parijs in 1845. Zijn hoofd-werk draagt den titel: Compensations dans les destinées humaines. Alles in een leven, goed en kwaad, weegt tegen elkaar op, wordt onder elkaar afgemeten, uitgewisseld. Ik kende die philosophie nog niet in 1917. Later vond ik dat de mij bekende gegevens die theorie op zeldzame wijze bevestigden.

Ik heb er niets op tegen om mij schuldig te voelen, te weten. Maar ik voel mij ook geleid naar een valstrik, de zaak retrospectief, als buitenstaander beschouwend. Ik ken de diepere, de mij-persoonlijke reden nog niet van dien valstrik. Misschien heb ik ongelijk met mij erover te beklagen. Maar soms dunkt me nog dat ik evenveel recht bezit (recht in juridischen zin) als b.v. Oedipus, om mij te beklagen, en om volste recht te kunnen doen gelden op vrijspraak.

Het woord dat je zocht is verootmoediging.

Het moet gezichtsbedrog geweest zijn bij Joanna toen zij mij zag op dat perron. Ik weet dat jullie toen met je moeder in Brabant getoerd hebben; dat je gewandeld hebt in Helmond, naam die voor mij en mijn jeugd zoo lang beteekenisvol is gebleven (mond der hel) en dien ik zooveel jaren niet heb kunnen denken (tot kort geleden) noch schrijven zonder afschuw. Doch terwijl jullie daar waren zat ik kalm in Amsterdam. Ik heb nooit iets vermoed van die impressionnabiliteit bij Joanna. Wat mij betreft, ik ben altijd uiterst voorzichtig geweest ten opzichte van jullie.

Ken je den roman van André Maurois Cercle de famille? Soortgelijk geval.

Ik ben ook boos op hem geweest dat hij mij nimmer ook maar het geringste heeft laten gissen dat hij wist en dat hij leed; dat hij me daarentegen precies het tegenovergestelde suggereerde (door toeneming zijner vriendschap) tot den laatsten dag. Hij had daartoe niet het recht, vind ik. Ik heb die boosheid moeten overwinnen. (Ik wilde niet schuldig zijn, d.w.z. ik was zeer langen tijd in den waan dat het hem geen kwaad kon doen.)

Zie je hoe "het geval" mij jaren lang ter harte is gegaan? Ik ben niet héélemaal te vergelijken met "de anderen" die ik veroordeel. Ik was ook niet cynisch.

In 1921 wist ik niet dat hij ziek was. Wij woonden toen in een klein huisje van De Hollandsche Rading bij Maartensdijk in de provincie Utrecht. Ik zag reeds zoo goed als niemand meer van mijn vroegere vrienden en leefde eenzaam. Ik kreeg een telegram van Wiessing dat me zijn dood meldde. Het artikel dat ik toen schreef vertolkt in zijn ondertoon al mijn gevoelens. (Enkel 't slot zou ik nu anders wenschen.) Hadde ik zijn ziekte geweten, en hadde ik hem willen schrijven, ik zou dit niet gekund hebben tegenover Anny. Ik gaf haar al mijn brieven te lezen. En ik heb je reeds uitgelegd, hoe zijzelf het mij vanaf de eerste minuut dat ik haar zag, onmogelijk maakte haar een bekentenis te doen. Zij wist zonder twijfel alles, begrijp ik nu, maar zij wilde niet dat er in mij een fout was. Zij heeft mij wetens genoodzaakt om te doen tegenover haar alsof er geen fout was. Dit had zijn vóór en zijn tegen. Het had zijn grootheid. Het verplichtte mij te doen alsof ik zonder fout was, en daardoor, stellig, heb ik geleerd en gewonnen.

In October zei ik je: "cardinale vraag", omdat ik wèl zag dat 't eerste hetgeen me na dat occulte signaal te wachten stond, was je alles te bekennen, en omdat ik wèl zag dat dit me geweldig zou hinderen, die evocaties. Maar met de moeilijkheden welke jij hebt, had 't niets uitstaande. Je moeder achtte toenmaals het "moeder en dochter liefhebben" iets heel gewoons. Zij schertste er zelfs met mij over, en op een wijze die mij (als puritein!) soms schandaliseerde! (Hier moet ik onwillekeurig glimlachen.) Ook ik, geloof ik, acht dat "moeder en dochter liefhebben" iets heel gewoons, en zeker met het groote interval dat die twee liefde's hier verdeelt. Gewoon echter of ongewoon – ik hèb niets te vinden, te achten. Tegenover Anny blijft de liefde welke ik voor jou heb mij nog véél ongewoner. Mijn liefde voor jou heeft zich op en sinds 17 Sept. in de letterlijksten zin van mij meester gemaakt. Als 't ware op een mysterieus commando. Ik zei je reeds meermalen met hoeveel verbazing ik dit constateerde. Met dagelijksche verbazing (en zelfs in dit oogenblik) constateer ik dat die liefde van mij voor jou zelfs op een afstand van 500 k.m. absoluut niet "platonisch" is, dat de heftigste attractie mij naar jou beweegt. Qu'est-ce que tu veux que j'y fasse, que j'en pense?! Zooals de Fransche volksman zegt: C'est comme ça puisque c'est comme ça!

Maak je dus geen zorg. En als ook jij van me houdt, als ook jij bewogen wordt door diezelfde kracht, houd dan zoo eenvoudig en zoo goed mogelijk van me. Laten we dan samen ons opperste best doen. Ik zeg je wederom: Verontrust je niet over die passie van mij voor jou. Zij is reëel. Maar ik zal haar regelen gelijk jij wenscht. Verwaarloos echter niet je gezondheid.

Nog naar aanleiding van die "cardinale vraag": je begrijpt, toen ik mijn liefde voor je constateerde, dat ik, na mijn ervaring met Anny, niet den geringsten lust had om opnieuw cache-cache te spelen met jou, hoewel ik de gevolgen duchtte van hetgeen ik je te zeggen had, niet wetend hoe je dit zoudt opnemen.

Hierbij nog een brief van V. Eugen, welken ik dezen morgen tegelijk ontving met den jouwen van 14-15 Febr. Je ziet dat V. Eugen is, gelijk je dacht. Van dergelijke zeldzame menschen placht Flaubert te zeggen: "C'est un monsieur." Mooie titel. Van Eugen, en effet, est un monsieur.

Ne trouves-tu pas véritablement remarquable comme tout s'enchaîne? De 39 sneeuwklokjes inbegrepen. Ik ben 15 Febr. niet naar het graf van Anny gegaan. Ik ging er enkel heen als ik haar elders niet kon vinden, en iets te zeggen had. Ik overtrad daarmee een gebod van haar. Zij wilde volstrekt niet dat men eenige aandacht toonde aan haar graf. Zij zei me meermalen, scherp, intransigent, logisch als ze was: "Wanneer ik dood ben heb ik met dat rottend lichaam niets meer te maken." Dat stiet me tegen de borst. Ik antwoordde haar: "Voor minstens de helft ligt de oorsprong van kunst en godsdienst in de dooden-vereering." Zij echter meende dat de dooden-vereering enkel moest geschieden in den geest. Zij was daar niet van af te brengen. Het graf harer moeder, die zij adoreerde, heeft zij niet één maal bezocht. Zij was geheel consequent en intransigent met haar princiepen.

Het is van weinig belang, doch op de vragenlijst welke ik je hierbij (met dank) terugzend, heb je een mijner voornamen verkeerd geschreven. Ik heet niet Christoffel doch Christianus. Hoe weet je de rest overigens zoo nauwkeurig? Mijn bewondering! Ik zelf kende niet eens den leeftijd mijner dochter! Zij is 26½. Zij heeft me niets verteld over haar onderhoud met haar directeur de conscience, doch daar-juist bij 't eten zei ze mij lachend maar met de grootste overtuiging en verzekerdheid: Il faut absolument, ab-so-lu-ment que tu partes cet été.

Ma suzeraine, je t'aime. Gedoog mij als je vassal. (Er is onderdanigheid in dit woord, geen onderworpenheid! En volgens de feodale wet ben je hem hulp en bescherming schuldig!! De vassal gehoorzaamheid à sa suzeraine.)

Ik leg mij aan je voeten, die ik zoen, je knieën omarmend.

Het is helderder, helder in het hart van je

Matthijs

Wel aardig, prettig, je begunstigde te zijn. Het woord zegt alles.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA