19460216 Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 16-17 februari 1946

16 Febr. '46

Lieve Matthijs, het is middernacht; ik ben tegenwoordig eraan verslaafd in bed nog wat te krabbelen, maar ik moet er vanavond van afzien, ben tè moe. Vannacht heb ik maar 4½ u. geslapen en de dag was erg vermoeiend. Alors, mon souverain chéri, dormez bien.

Zondag. Het was gisteren heel geslaagd. Je moet weten dat we in groote angst hebben gezeten of Maas wel komen zou. Hij had getelegrapheerd uit Parijs dat hij het liefst den 17den (vandaag) wilde spreken. Dat bleek echter voor verschillende menschen die komen zouden niet geschikt en wij hebben het dus op gisteren gezet. Maar we konden hem niet meer bereiken, hij ging naar Londen en had daar geen adres opgegeven. J. rekende er op dat hij wel een paar dagen tevoren in het land zou komen; maar gisterenochtend hadden wij nog steeds niets van hem gehoord! Er zouden menschen voor uit Assen en weet ik waar vandaan komen! We hadden mevrouw Marsman gevraagd om te willen invallen en van haar verblijf in Londen te vertellen; maar dat was niet hetzelfde, want er zouden juist allemaal Engelandvaarders komen, wie het te doen was om de situatie in Portugal (waar Maas chef van de Ned. Inlichtingsdienst is geweest). Goddank, eindelijk 's middags om ½ 2 belde hij op! Van het station, zoo uit den Harwich-trein stappend. Een reuze opluchting. Wat hij vertelde was heel deprimeerend: hoe je met je hoofd tegen de muur loopt, als je wat wilt ondernemen, hoe alles ambtenarij is en eerzucht en hebzucht. De Engelandvaarders, die erbij waren, vulden zijn verhalen met de hunne aan; en er komt een lust bij je op om te gaan conspireeren en toch nog te probeeren tegen al die rotzooi in te gaan. Maar ik geloof, – heb allang – door de soortgelijke ervaringen die je hier opdoet, het idee, dat het toch niets geeft. Je bent met te weinigen tegen de groote massa.

Over jouw idealisme van: "eerst enkelen, dan meerderen, later allen", schud ik ook mijn hoofd. Ik geloof niet in den vooruitgang. Er zijn verschuivingen, vooruitgangen dus op sommige punten en tegelijkertijd is er achteruitgang op andere. Maar laat ik niet pessimistisch zijn, zittende in een stralende zon. Waarom vind je den dood negatief en het leven niet? Ik zie dat niet. Ik vind het veel "blijer" te denken aan een dood op mijn 60ste jaar (jij 80) dan doof en rheumatisch en slecht ter been 70 te moeten worden (en jij 90). Ik wil bovendien graag voorbereid zijn; wat heb ik eraan me een lang en gezond leven voor te stellen en dan op mijn 59ste kanker te krijgen en op mijn neus te kijken en te denken: hè, daar had ik nou niet op gerekend. Twintig jaar voor de boeg nog vind ik wel genoeg, jij niet? Ik doe je geen verdriet hiermee, dat kan niet. Want het ìs niet negatief wat ik zeg.

Wat meen je met "ik kan slechts luisteren en gehoor geven"? Bedoel je te zeggen dat het feit van "de verhindering op het materieele plan" tot gevolg kan hebben dat je verbond met A. niet doorgaat tot het einde van je dagen? Zie je er een rechtvaardiging in van je nieuwe liefde?

– Ik vroeg me af of de niet door A. betaalde ring niet een andere beteekenis kon hebben, n.l. dat je verbinding met haar geen materieelen grondslag, geen materieele vastlegging behoefde, omdat de band op het immaterieele plan hecht genoeg was. Wat denk je hiervan? Ik ben altijd een beetje bang voor het (wat ik noem) naar-je-toe redeneeren. Want je kunt wel zeggen: "ik kan slechts luisteren en gehoor geven", maar een mensch kan ook verkeerd luisteren, d.w.z. een uitlegging geven uit een gezichtshoek, die op een bepaald moment zijn eenige is.

Typeerend voor je vond ik je verhaal over Prometheus, waarin je het zwaartepunt legt op de verfoeilijkheid van Zeus en niet op den hoogmoed, de hybris van Prometheus (waar je overheen loopt en of die je eerder zou willen bezingen!)

Hoe is gisteren het gesprek met den directeur de conscience afgeloopen? Wat wordt het huis ineens leeg als ik denk aan dien 1 Juli. Tot zoolang zul je dus natuurlijk blijven. v. Eugen kan vanaf 1 Mei zijn geld sturen, en onderwijl heb ik nog 2 maanden tijd om hier een huis te zoeken. Ik zal wel de mogelijkheid in het oog houden om dan te komen. Dat zou niet gek zijn. Eventueel samen hierheen reizen. (Ik moet zeggen dat ik tot het schrijven van zulke zinnen al mijn stoïcisme bij elkaar moet rapen, want alles wat naar definitiefheid zweemt vind ik nog doodeng.)

Gisterenavond heb ik Janine Weill gehoord en niet erg tot mijn genoegen. Ik weet niet zeker of ik haar voor den oorlog eens gehoord heb, ik meen van wel, en ik dacht dat ik toen de algemeene bewondering deelde. Ik vond het nu erg zakelijk, ieder mysterie ontberend. Lastig om over te schrijven in een paar regels, die niet duister, niet abstract, niet afbrekend mogen zijn.

Vanochtend hebben we, ter gelegenheid van zijn verjaardag, een oude vriend van J. op bezoek gehad met zijn pas-nieuwe vrouw: Ernée 't Hooft, een Kunstnaaldwerkster van groot talent. Hij, de man (een kleinzoon van Kees v.d. Linden, dien opera-man) heeft oneindig lang achter J. aan gezeten. Als Moeder en ik er niet zoo tegen waren geweest, zou zij hem misschien op haar 24ste jaar wel getrouwd hebben. (Hij is die occultist, dien Engeljan "meneer de toovenaar" noemt!) Later aarzelde zij zelf erg, alleen in '35, na een teleurstelling met een ander, had zij een zoodanig verlangen naar hem, dat zij hem schreef dat zij bereid was met hem in zee te gaan. Hij was toen in Zuid-Amerika, d.w.z. al op reis naar huis, en die brief heeft hem niet bereikt. J. kon dat niet vermoeden, ging naar een feest, waar zij zeker was hem te zullen ontmoeten, en daar deelt hij haar mee dat hij gaat trouwen! Iets voor een boek, vind je niet? Hij is toen ook getrouwd, maar al heel gauw heeft hij de intimiteit met J. weer voortgezet en onder de leus dat zij een nieuwe schoonheid schiepen: de gelukkige mariage à trois, hebben zij toen in een vreeselijke spanning een aantal jaren dien onzin uitgehouden. Het was allemaal zijn wil en hij legde die vrouwen het geloof erin op. Onderwijl had J. Engeljan leeren kennen en een jaar later nam hij haar in zijn armen op een zoele Juni-nacht in het Vondelpark, en den volgenden dag ging J. met den ander op reis! Zij dacht dat dat allemaal kon. De gewoonste, natuurlijkste dingen zag zij niet meer. Maar Engeljan, die weliswaar zich op het gebied van de liefde het een en ander permitteert, kent geen krampachtige leuzen, hij is de natuurlijkheid zelve, en de moeilijkheden konden dus niet uitblijven. Mijn hemel, wat een gedoe is dat allemaal geweest. J. heeft er ten gunste van Engeljan per slot een eind aan gemaakt (vlak voor Moeder stierf, wat wel bevredigend was) en de toovenaar is toen een tijdlang kwaad geweest, maar daarna zijn ze weer gewoon goede vrienden geworden en hij is nu van die eerste vrouw gescheiden en heeft, dunkt me, nu een betere keus gedaan en hij is in de laatste jaren bijzonder veel rijper geworden. Ik kan het nu heel best met hem vinden, omdat hij zichzelf niet meer zoo gewichtig vindt en heel veel van zijn geforceerdheid verloren heeft; vroeger kon ik hem niet uitstaan. En Engeljan kon hem ook niet zièn. Maar nu zijn de jaren erover heengegaan en nu zaten we vanochtend in de grootste pais en vree een kopje koffie met zijn vijven te drinken. Heel vermakelijk eigenlijk.

Liefste, ik ga een tukje doen. De vogeltjes in de tuinen zijn heel lief bezig. Dien Woensdag, toen jij er wel 10 pag. over had willen schrijven, liep ik langs de grachten en hoorde ik me – nu jij het van jou schreef, weet ik dat het bij mij ook zooiets was – op die lente-sfeer Matthijs antwoorden. Wonderlijk te denken dat we dat samen zullen kunnen beleven – hebben de romantici niet gelijk, dat de Sehnsucht gelukkiger maakt dan de vervulling? We zullen het afwachten –

Middelerwijl geef ik je een Kabbalistisch driehoekje.

je

Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA