19460210 Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 10 februari 1946

Zondagavond 10 Febr. '46

Lieve Matthijs, nu je eenmaal meeleeft met het drama van 1894-’95, zal ik je nog maar wat overschrijven.

A.D. aan E. Mijn ouders zullen mij niet verstooten, en in jou eeren zij en hebben zelfs lief de eerlijkheid en beslistheid waarmee je voor je overtuiging bent uitgekomen. Maar een andere vraag is, hoe zij en vooral Mama het zullen dragen. Mijzelf is het zoo vreemd koud te denken, dat ik nu voor goed iets zal moeten verlaten wat in mijn leven zooveel is geweest, al bezat ik ook niet de nuchtere, stipte plichtsbetrachting der beroepskatholieken en al heb ik er ook onder geleden. Want het leed smeedt ook banden. Wat wij nu lijden zal ons voor de toekomst versterken. Het is ook een troost te gelooven aan de noodzakelijkheid van het lijden. Een afscheid als Nietzsche nam van Wagner, brengt smarten mee van een heel andere orde en lichter, geloof ik, te dragen omdat het meer den geest dan het hart raakte. Wij strijden niet tegen elkaar, lieve kindje, maar onze voorvaderen, en in mijzelf is het een eindeloos tumult.

Het is intusschen laat geworden, Matthijs, ik ga niet verder. J. is een beetje ziek, zij was vroeg naar bed gegaan en nu hebben we samen een heelen tijd gewauweld, over onze mannen en over ons tweeën: dat we zoo gelukkig zijn samen – ik was bij haar gekropen, en nu is het ruim elf uur en ga ik maar slapen, omdat ik ook moe ben. De Marsyas was niet zoo mooi vanmiddag als in Sept., vond ik, en één van de coupures was bepaald ongunstig. Ik zei het tegen v. B. en het was hemzelf gelukkig ook opgevallen –hij zou dat weer veranderen.

Bonne nuit, dors bien, en als je van me droomt, vertel het me dan.

Maandag. Liefste, mooi is het wat je schrijft over onze middeleeuwsche liefde, heerlijk om te lezen! Dat orgel is me veel en veel te moeilijk. Als ik bij je zat en je rekende het me voor, was het wat anders, dan zou ik het wel kunnen volgen, maar zoo duizelt het me. Ik weet ook niets van den pool-straal af, ben een groote analphabeet.

Den ten mijne gebruike gegeven cursus begrijp ik. Alleen in de verliefdheid op een ev. driedubbel gedraaide etc. bochel ben ik zoo vrij niet te gelooven. Denk aan de repulsie tegen Tante Lud. Als je per brief verliefd op haar was geworden, zou je dan die repulsie niet gehad hebben? Je antwoordt natuurlijk dat je niet verliefd op haar kon worden per brief, maar dat is onbewijsbaar. Hier valt me een stukje zin te binnen uit je vorigen brief, waar ik nog niet op gereageerd heb; het is: "want (jouw toon) het is mijn eigen toon." Ìs dat zoo? Ik heb je altijd al deze jaren alles geschreven zooals ik het voelde en ik rekende er dus op, dat dat bij jou ingang zou vinden. Maar ik zou niet durven zeggen dat jouw toon de mijne was, daarom al niet omdat ik de lyriek mis en de creativiteit. Ik kam mezelf niet af, ik wil mijn toon wel graag bij de jouwe laten aansluiten – ik herinner me dat ik in de afgeloopen jaren wel eens verlangen heb gehad om met jou (en met niemand anders) over Engeljan te praten – maar dat wij den zèlfden toon zouden hebben gaat mij te ver. Je moet overigens niet denken dat ik expres een akelig nest ben, ik schreef dat van dien handelsreiziger niet om je te plagen, maar omdat het eerlijk mijn gevoelen zoo was. Ik heb niet geschreven dat ik geïrriteerd was of zou zijn, is ’t wel? Dat heb jij er maar uit opgemaakt zeker. Soms denk ik wel eens dat ik het niet heelemaal prettig vind dat je niet op een mooie vrouw verliefd kunt worden. Maar het is haast tè ondankbaar om zooiets te denken! Want welke vrouw heeft een dergelijk lot uit de loterij! Je definitie dat je verliefd bent omdat je wild bent, is heel duidelijk. Lieve Matthijs, wees niet boos, als ik je mijn nuchterheden toon. Je moet me maar nemen zooals ik ben. En dat doe je ook. Ik neem jou ook, en met groote dankbaarheid, zooals je bent. Voor mij zou het gemakkelijker zijn als je even visch-achtig was als ik; we moeten maar zien hoe we dat verschil overbruggen.

Ik had hoop op een huisje ergens in de buurt van de Waag; de menschen, voor wie het gehuurd was en die uit Z.-Afrika moesten komen, zouden nièt komen, meende ik, maar ze schijnen tòch te komen. Dat is dus mis.

Nu is het Vrijdag A’s verjaardag. Heb je gelijk gekregen met de sneeuwklokjes? Ik weet niet of ik wel geschreven heb dat Mevr. v.d. Velde eens f 5,- gestuurd heeft voor bloemen op haar graf. En kort daarna zond zij f 25,- voor jou. Dat heb ik je vast niet geschreven; ik had toen, geloof ik, het idee dat die clearing wel weer gauw in orde zou zijn en dat ik jou en haar dan zou berichten als het geld onderweg was. Als het nu binnenkort lukt, het zenden van de chèque, dan zal ik haar eens schrijven – dat zij niet denkt dat we ondankbaar zijn.

Bijna 20 jaar geleden werd Moeder op dezen dag geopereerd. Twee dagen lang hebben wij gedacht dat zij dood zou gaan. Dat is onuitwischbaar.

Ik moet gaan boodschappen doen. Zou je eens informeeren naar transportkosten van je vleugel? Het zal wel onmetelijk duur zijn, hè?

t. à t. met "plekje" en al

Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA