19460201a Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 1 februari 1946

1 Febr. 1946

Zooveel zoete naampjes heb je me gegeven dat ik niet weet wat ik er aan jou boven moet zetten! Ik denk toch maar

Lieve Souverein,

want ik kan er niet op rekenen dat mijn brief zoo vlug, vlug als de jouw, in 1½ dag, naar je toe reist en ik moet dus al aan je verjaardag denken en dat geeft me iets plechtstatigs in den mond. Lieve Souverein, ik wensch je iederen dag hetzelfde, maar een verjaardag is er om het uit te spreken. La foi, l'espérance, l'amour – daar vraag je zelf om; je mist ze niet – maar kunt altijd nog meer gebruiken – daarom wensch ik ze ook voor jou. Verder denk ik aan hier: op een prettige behuizing hoop ik en op ontstentenis van teleurstellingen in het werk of in mij. (O lieve Matthijs, hoe moet ik het kunnen? ik weet het niet – ik mag dat niet denken, zeg je, ik moet altijd bon combattant zijn, maar dan moest ik eigenlijk wat sterker, krachtiger zijn.) En zal ik je "nog vele jaren" toewenschen, nadat je zoo vurig gewenscht heb: zoo min mogelijk jaren? Hoe was verleden die 8ste Februari? Was je er erg aan toe? of kon je het aan? Ik houd niet van verjaardagen, ik vind het vervelend, de heel poespas, maar je kunt het nu eenmaal niet vergeten, ook zelf niet, en daardoor wordt het juist een dag, voor mij ten minste, van verhoogde sensibiliteit en eerder naar de kant van prikkelbaarheid dan van het openstaan voor vreugdevolle gevoelens. Hoe vierden jullie verjaardagen? Verleden jaar was je met je dochter alleen en je zult dat nu weer zijn, nu Donald vertrokken is. "Een vleugje melancholie" – ja, dat zou ik ook zeggen!! Ik kan me dat heelemaal niet voorstellen, zoo'n losse band; ik zit tè veel aan mijn ouders en mijn milieu vast geklonken, dat weet ik, maar ik zou het toch van een kind van me ook weer normaal vinden als het zoo was als ik.

Ik denk daar aan de bioscoop: vreeselijk, ontzettend, geen enkele zin heb ik ooit gehad om erheen te gaan – in mijn studenten tijd moest het wel eens, zoo met een heele troep, maar ik voelde er nooit iets voor. Als kind had ik er al een gruwel van, omdat ik misselijk werd van de slechte-sigaretten-stank en daar ben ik nooit overheen gekomen, geloof ik. Ik ben zeker eens een paar maal door andere menschen meegenomen, want Moeder zal wel ternauwernood een bioscoop gezien hebben van binnen. Chaplin zou ik ook niet kennen, als ik niet in Lausanne, waar ik gelogeerd was, mee getroond was geworden naar "Modern times", dat alom geroemd werd en dat ik den euvelen moed gehad heb net zoo plat en afgrijselijk te vinden als iedere andere film. In onze avant-gardistischen tijd gingen we wel eens naar absolute films; dat was het aanzien nog wel eens waard. Ik denk dat het in Lausanne de laatste keer geweest is dat ik in een bioscoop zat – dat was in '36. Peter vroeg me wel eens mee, maar dat heb ik nooit gedaan, ik troonde hem liever mee naar huis en dan gingen we musiceeren – Wolf en Schubert, hij met Joanna – en dat was veel leuker. Hij vond de bioscoop een afleiding tegen de melancholie, vroeger, nu niet meer, zei hij mij – hij vindt er nu niets meer aan, dat dee me plezier.

Je vraag over het onweer is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden, omdat deze gevoelens zoo moeilijk te formuleeren zijn en omdat het voorval per slot ook meer dan tien jaar geleden gebeurd is. Een dergelijke ondervinding is zeer zeker niet ontbloot van erotiek. Toch maakte dat (in mijn herinnering) niet het grootste geluk uit. Ik voelde me ook niet "centraal-punt" worden. Het sterkste gevoel was het gevoel van vrijheid, een bohême gevoel, een vogel-vrij gevoel, het gebonden-zijn aan niets concreets van tijd of ruimte, het alleen verbonden-zijn met het heelal. Ik wilde dus ook niet verder, niet naar iets of iemand toe, er was van mij uit geen lijn te trekken ergens heen, ik was, een deel van het onweer en van het pleintje was ik en van het geheel daarvan. Een natuur als de jouwe heeft dat andere sentiment erbij, dat kan ik me goed voorstellen.

Dit zelfde gevoel heb ik nooit meer gehad. Jij hebt het blijkbaar bij herhaling gehad – doe je me die verhalen eens? (ik doe altijd zooveel verhalen, jij niet, maar we moeten ook nog wat voor mondeling – hier bewaren, zul je zeggen.) Omgekeerd vraag jij van mij een "cursusje" ... Ja, lieve Matthijs, wat zal ik je daar nu over zeggen? Ik ben daarin passief, ik laat het aan je over, het hoort er nu eenmaal bij, er is heel weinig van dien aard waarnaar ik verlang. Ik zei het je al eens, ik vind die manipulaties zoo eentonig of eenvormig: een handelsreiziger in den trein licht ook mijn rok op en wil naar dat zelfde plekje toe; mij is dat een raadsel – wat is er aan te beleven, aan dat plekje? Er is niets leelijkers dan een jarretel en de leelijke huid van een been. Je zult dit akelig vinden om te lezen – je vraagt ernaar en dus moet ik erop antwoorden. Ik verlang er wel naar om je lippen op de mijne te voelen, maar piano-piano, want ik krijg al gauw het gevoel van flauw te vallen en dat vind ik niet prettig (hoewel die bedwelming natuurlijk haar verlokking wel heeft). Als ik mooi was, zou ik tegenover deze dingen, denk ik, anders staan. Mijn lichaam is uitgesproken leelijk, en dat een man, omdat hij verliefd is, er dan toch wild van wordt, dat irriteert me, dat vind ik onlogisch.

Dit moet ik ineens in haast beëindigen – ik ben wat ziek, ga niet uit, en daarom moet J. dit nu meenemen, zij wacht erop.

Liefste, ik hou heel erg veel van je en ik dank je weer eens 1000 x 1000 keer voor al jouw liefde.

je

Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA