19460201a Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 1 februari 1946

Louveciennes

1 Februari 1946

Vrijdag

O Thea!

immerdoor mijn liefste,

per fas, per nefas.

Van ochtend een brief van H.P.L. Wiessing, oud-leerling van A.D. in den Bosch. Gedateerd van 27 jan. Ben je wel eens bij hem geweest? Hij woont op 't oogenblik Kerkstraat 461. Hij heeft mijn adres van mijn broer, doctor in de Fransche Letteren, en gymnasium-leeraar te Haarlem, waar hij een van Wiessing's zoons doceerde en met hem bevriend bleef. Ik ben niet goed met dien broer, die wèl goed met mij zou willen zijn. Maar op een dag, zeer lang geleden, het was in La-Celle-St-Cloud waar ik eerst woonde, en waar hij mij bezocht, heeft hij Anny beleedigd, door mij, die pap stond te roeren, te vragen, in haar bijzijn, of ik niets beters te doen had dan mijn kinderen te voeren. Ik heb hem dat nooit kunnen vergeven. Wiessing heeft stellig pittoreske herinneringen aan A.D. Zooals ik, is Wiessing een vrijbuiter, doch wij varen niet in dezelfde soort van bark. Hij is een der zéér weinige menschen met wien ik, slechts heel schaarse relaties onderhoudend overigens, mij in sympathie voel. En hij met mij. Hij vraagt me vandaag mijn medewerking voor "De vrije Katheder". Wat zal ik hem antwoorden? Jij, die mijn zorgen deelt, zeg het me.

Van ochtend een brief, gedateerd 27 Jan., een brief van zekeren E. Bekius, die over Fransche muziek wil schrijven, mij confesseert dat hij van niets en niemand afweet, muzikaal adviseur is bij den uitgever van mijn boekie, en mij, me den titel schenkend van Weledelgeboren Heer (il ne croit pas si bien dire, pardieu!) inlichtingen verzoekt. Het zal je gebeuren. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Van ochtend een brief, gedateerd 28 Jan. van mijn zuster. Zij bericht mij dat ze mij een paketje etenswaren gestuurd heeft. Staat 't in de Hollandsche kranten dat wij niets te bikken hebben? Zij weet 't niet van mij. Elke drie weken, als we boffen, een stukje vleesch, 300 gram brood per dag, gelijk onder de Moffen; geen eieren, geen kaas, geen boter, geen druppel melk sinds maanden en maanden. Als ik niet "per toeval" aardappelen had kunnen inslaan, als het meisje van Roland ons geen zak witte boonen gefourneerd had (waarvan ik niet houd, gedachtig de voorschriften van Pythagoras!) maar die ik verorber – dan waren wij opnieuw verkommerd. Mijn dochter lijdt eronder. Moi, j'ai encore des réserves et j'y supplée par la volonté. Sorry, sorry! Je begrijpt wat ik denk. Wou je me terugzien als een uitgehongerd scharminkel? Geld heeft nauwlijks nog beteekenis, tenzij in groote quantiteit. (d.w.z.: voedsel is nuttiger.) Het is waar, mijn zuster stuurde me reeds paketjes toen ik negentien jaar was en honger leed. Een oude gewoonte. Ik hoop dat de dieven me iets, de helft, een kwart, overlaten van mijner zuster paketje! Dat is zooveel gewonnen.

Van ochtend geen brief van Thea.

Wat doet Thea?

Is Thea ziek?

Heeft Thea het te druk?

Is Thea ontmoedigd? down-hearted? neerslachtig? C'est à peine possible.

Is Thea boos? Non, non et non! Ce ne serait pas juste.

Heeft Thea verdriet? Ça se pourrait. Maar weet, maar voelt Thea niet, dat ik mij gaarne, ràzend-gaarne aan haar voeten wil werpen, haar knieën omarmend, en dat ik het reeds tientallen malen deed?

Heeft Thea een ongunstige brieven-bus? Draait de post mij wederom een loer? Vooruit! Vooruit! Aan de machines! Fabriquons de l'optimisme, de l'enthousiasme, de la lumière! Contre vents et marées! Contre tout! Et moi tout seul. (c'est à dire: pas tout seul)

Kleine cursus in de psychologie ad usum carissimae: Gistermiddag, na je mijn brief gepost te hebben, een leelijke, funeste ontroering. Wordt allengs benauwende beklemming. Eerst denk ik, worstelend: "Dat is het afscheid van Donald. Mijn laatste goede kameraad die van me weggaat." De beklemming wordt haast verstikkend in den loop van de avond. Mij verdedigend bij heug en meug, speur ik dieper naar de oorzaken. Het is niet Donald. Neen. Het zijn die lettertjes "geen woord aan je geschreven". Waaròm schreef Thea me die dag geen woord, druk of niet druk, verdriet of geen verdriet, kousen te stoppen of geen kousen te stoppen, piano of geen piano? Impensable. Als ik verdroten was, terecht of ten onrechte, of als ik wat ook had, ik schreef haar tòch, ik zou 't als een misdaad, een vergrijp gevoeld hebben om Thea niet te schrijven, en er is géén brief van elke dag, hoe "erg" ook, waar tusschen de regels en in de regels niet nog de liefde trilt, of het verlangen naar liefde. En waarom zegt zij mij dat zij me niet schreef?? Ware het reeds niet hard genoeg dat ik het uit mezelf bemerkt had? En dan stond er nog dat "steeds je" tusschen die ironische aanhalingsteekens. Scherts, ernst, verwijt, spot, twijfel, verzekering, rouw, trouw... alles tegelijk in twee syllaben, voor mij in mijn eenzaamheid, aan wien Thea nog nimmer in werkelijkheid, in onherroepelijkheid zei: "ik bemin je. Steeds je Thea."

Ik overwon de beklemming. Pas trop mal. Morgen beter dan vandaag. Vraiment, je suis trop sensible. Exécrable. C'est comme ça. Le cœur, heureusement, n'est pas trop mauvais. Maar, liefste, wat zal ik, wat mag ik nu concludeeren?! Wat anders dan dat wij wonderbaarlijk op elkaar zijn afgestemd! Want jij hebt – schijnbaar – in die dagen goed geëchood. Véél te goed, – schijnbaar. Ik zeg schijnbaar. Ten eerste om het absolute te vermijden. Ten tweede omdat je toch eigenlijk niet goed luisterde. Je hoorde mijn grondtoon niet. Onder, achter het gedaas van mijn verwarring was hij liefde, en blijft hij liefde. Ook nu. (of is "steeds je" tòch een antwoord op mijn grondtoon?)

Ik heb weer lust om te moraliseeren ! Als de een niet meer kan moet de ander kunnen; als de een strompelt en valt moet de ander hem helpen. Geef mij je hand, mijn lieve Thea. Afgesproken. Doe je lichtje niet uit, ma belle luciole bleue dans cette noire et grande nuit.

Een heel klein lieve-heers-beestje komt op mijn papier gevallen. Als een korreltje hennep-zaad. Een nieuweling. Ik zet 't op je brief waar 't verder toert op zijn onzichtbare pootjes. Het kent zijn weg. Als ik hem niet ken, liefste, ook al heb ik je in mijn hart, aan mijn hart, wijs hem dan

aan je Matthijs,

die je roept.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA