19460128 Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 28 januari 1946

28 Jan. '46

Lieve Matthijs, er waren er geèn twee vanochtend, alleen de Lieve Thea-brief van Woensdag. Ik vind het reusachtig lief van je dat je niet boos bent, me niet uitscheldt. Ik geloof eigenlijk dat ik het antwoord dat je vraagt niet hoef te geven, want we hebben er de laatste dagen al zooveel over geschreven en ik ben steeds volkomen openhartig geweest. Te openhartig. Ik had kalm moeten afwachten hoe het mij vergaan zou als wij bij elkaar zijn; het kan immers best zijn dat, als ik eenmaal echt in je armen gelegen heb, er van die verbeeldingen (die bedoel je toch?) niets overblijft. Ik heb je waarschijnlijk noodeloos verdriet gedaan. Daar heb ik niet aan gedacht, in mijn angst van al deze maanden dat je een beeld van mij hebt dat met de werkelijkheid niet heelemaal klopt. Uit overdreven eerlijkheid heb ik je verdriet gedaan. Het zal ook wel weer een kwestie van vertrouwen zijn: ik had eenvoudig het blinde vertrouwen moeten hebben dat jij wel de juiste kijk op mij en op het geheel zou hebben. Waar ik je vergiffenis voor vraag is voor dit tekort aan vertrouwen (Pappie, die zich tegen Jo afvraagt, of zijn liefde voor haar misschien ook nog waar is, is mijn vader…) en voor het feit dat ik me er niet genoeg in ingedacht heb hoè naar je het zou vinden dat te lezen. Van je "willen smarten" is geen sprake. En ik geloof dat, als je goed gelezen had, dat toch duidelijk geweest had moeten zijn. Ik herinner me dat ik schreef: "ik vind het zelf ook vreemd", is dat niet een veel te goedig zinnetje voor iemand die expres pijn wil doen? Enfin, laat ik het maar laten rusten, ik hoop dat je er intusschen al overheen bent gekomen. Jammer dat er dien dag geen post van me was, anders was je misschien niet zoo in de war geraakt. Ik hoop, ik wil mijn best doen, je nooit meer verdriet te doen.

Ik heb gisterenavond op een concert, waar ik de Ariettes oubliées, vooral Green, heel mooi hoorde zingen, zoo gelukkig aan je gedacht – ik wou dat jij het ook aan mij gedaan had.

's Avonds.

Na den brief van vanochtend vond ik dat ik jou vergiffenis moest vragen; na dien van vanmiddag vind ik dat jij mij het moet doen. Als ik je te veel tijd kost, heb je vanzelfsprekend het recht daar verandering in te brengen. Je weet hoe het mij met mijn tijd gaat, vooral nu J. weer thuis is; ik vind dat dus volkomen begrijpelijk en ik laat het heelemaal aan je over of je minder keeren per week wilt schrijven of dat je minder ingrijpende, minder "meditatie vergende" dingen wilt behandelen. Maar je moet niet spreken van enigmen. Of als ik voor jou in raadselen spreek, dan ligt dat aan jou: ik spreek niet in dubbelzinnigheden, ik ben nooit anders dan volkomen openhartig met je geweest. Dat weet je toch eigenlijk best. En hoe dikwijls heb je me gezegd dat je ieder woord dat ik schreef meevoelde, dat je "in het nauwste en intiemste contact" mijn brieven gelezen had. Moet ik dat dan allemaal voor onwaar houden ineens? Ik heb daar niets geen zin in. Het spijt me dat je in hetgeen ik schreef reminiscentie's vond van moderne opvattingen. Ik lees nooit "actueele litteratuur", ik kan dus hoogstens door de menschen met wie ik omga slecht beïnvloed zijn. Naar ik meende heb ik me daarvan vrij gehouden. En laatst nog schreef je iets van een "tamelijk hoog gedachten-plan". Het doet me erg verdriet als je zegt dat "onze gedachtenwisseling, gebaseerd op meeningen, negatief gebleven is". Ik vind dat heelemaal niet het geval. Tientallen malen heb je overigens geschreven dat we het eens waren. Maar is het niet verkeerd een splitsing te maken tusschen meeningen en gevoelens? Als ik een meening verkondig, wat is dat dan anders dan een gevoel? Ik weet niet wat voor intrinsieke gevoelens je van me zou willen kennen, ik weet alleen dat ik er geen een achter gehouden heb.

Ik hoop morgen op verkwikkelijken lectuur van je.

je

Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA