19460111 Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 11 januari 1946

11 jan. '46

Lieve Matthijs, wat gezellig je beschrijving van J.'s bezoek! Vanmorgen was er geen brief van haar, je bent haar dus voor geweest. Ik vind het zoo knap van jou dat je toch nog een gewoon gesprek voeren kunt, terwijl je nooit iemand ziet; ik zou dat, geloof ik, heelemaal verleeren. Ik ben blij dat het zoo ongedwongen was. J. is ook reuze gemakkelijk in den omgang, ze kan met iedereen overweg en kan zich aan iedereen aanpassen (dat cameleonachtige schijnt een waterman-inslag te zijn, die jij, als waterman, niet wenscht te bezitten). Als ik zei dat zij een knauw gekregen heeft, dan wou dat niet zeggen dat ze geen fut meer had. Ze had vroeger dermate veel fut, dat er altijd nog een hoop overblijft als er wat af gaat. Het zal inderdaad grappig zijn om ook haar relaas te lezen – misschien van middag.

Lieve liefste, nu een douche. Niet ter wille van de om-den-dagsche variatie, maar ter wille van de eerlijkheid. Jij vroeg me wat ik in mijn binnenste dacht. Ik schreef over het bed. Dat was verre van des H. Geesten voorzichtigheid, want het heeft jou opgewonden. Het was heelemaal niet onwaar wat ik schreef, ik trek het niet terug, want ik stel het me inderdaad voor hoe dat zijn zou. De fout is misschien dat ik dat met mijn binnenste in verband bracht, het is misschien mijn binnenste niet. Want wat is het geval? Ik kan me dat met een anderen man ook voorstellen, zèlfs met jouw laatste, warmste liefdesbrief onder mijn oogen. Afschuwelijk, voor jou niet in te denken, hè? Ik vind het zelf ook vreemd, maar het is zoo. Ter wille van de eerlijkheid, van je juiste inzicht in me, wilde ik dit toch wel zeggen. Als ik dus spreek van jou en mij in een bed, dan is dat geen liefdesverklaring, het is een bewijs van een heele groote intimiteit, natuurlijk, maar het is niet wat jij erbij gevoeld hebt waarschijnlijk, het is niet de stem van mijn binnenste waarschijnlijk (hèb ik wel een binnenste?), het is een fantasie. Ik had dit dadelijk erbij moeten schrijven, als ik me goed in je ingedacht had. Misschien heb ik gedacht dat de lichtheid van toon, waarin het geschreven stond, duidelijk genoeg was.

Als ik geen binnenste heb – mijn nieuwste ontdekking: waar jij me al niet toe brengt! – zal ik ook wel geen goddelijk vuur bezitten, want waar zouden de goden dat in moeten storten? Dit hangt dus weer eens van Matthijs af! Als hìj wil, hèb ik een binnenste en goddelijk vuur. We zullen het maar licht nemen, vind je ook niet? Ik dank je voor al jouw vuur. Telkens vanochtend als ik bij het studeeren gestoord was door tel. of bel, las ik gauw, voordat ik aan de piano terugkeerde, een regeltje vuur van je – dat was heerlijk. Ik zoek in gedachte je lippen (dat doe ik zoo tusschendoor overdag en in bed ook wel eens)

Da-ag, je Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA