19460104b Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 4-5 januari 1946

Louveciennes

4 Jan. 1946, 's avonds

Liefste,

ik had wel zin daarjuist om me met je in contact te brengen, doch bij nader inzien stel ik 't maar uit. Misschien komt 't onder 't schrijven. Ik zou de mechaniek ervan wel willen kennen. Jij bent de eerste met wie ik dat doe; de behoefte schept het orgaan! Het is grosso modo te vergelijken met een lange muzische inspiratie, gecombineerd met een lange, ideaal-lange omhelzing. Niet inspannend; en toch een beetje vermoeiend. Ik heb zoo'n idee dat ’t minder zou afmatten als ik je daarna kon betasten in den vleeze! Wil je over jouw psychologie ook van mij een kleine toelichting? Ik krijg niet de sensatie, gelijk de menschen van wie je spreekt, "dat jij die hartelijkheid niet noodig hebt". Maar soms geef je me den indruk, dat je de hartelijkheid welke je mij bewijst, in denzelfden vorm ook zoudt kunnen uiten aan andere menschen. Ik voel me dus – tyran, egoïst die ik ben – niet genoeg uitgezonderd, niet genoeg geprivilegieerd! Ik zou bijgevolg de wereld nog véél meer willen verdeelen in het gros aan den eenen kant, en jou-en-mij aan den anderen kant. Innerlijk – zooals je begrijpen moet. Zonder je te isoleeren. Maar de "vloek van je haasterij", want dat is waarlijk een vloek – wijl je er onprijsbare schatten van concentratie, meditatie door verliest – zou ik, wanneer we samen zijn, van je afwentelen, gedeeltelijk in ieder geval. Als 't gaat gelijk ik wensch, zou jij, in je doening blijvend zooveel je verkiest, bij mij de rust vinden, de stilte, de ingetogenheid (recueillement) en alles wat je bij zulke halte, in zulke oasis kunt verlangen, begeeren aan liefde, teederheid, hartstocht en trouw. Zoo is mijn programma. Wat denk je er van? Ik heb slechts "een baantje" noodig om het te re-a-li-see-ren. Een baantje, niet te ver uit je buurt. Dat binnenste van me toont een groote, dwingende lust om iets met je te ondernemen, op touw te zetten, dat solide is en toekomst heeft. Ik zeg 't je zooals ik het voel, zooals 't me gedicteerd wordt, zooals ik het meen, en zooals ik het overwogen heb. Ik ga nog verder: je zoudt een perfecte vrouw zijn en een perfecte moeder. Ik zeg je dit met ontroering. Zou ik tòch reeds in contact met je zijn? Nu jouw binnenste... Hoe spreekt het? Hoe antwoordt het?

Eigenlijk ben ik "afgedwaald". Het lag niet in mijn bedoeling je dit vanavond te... biechten! Maar het staat er, – ondanks mezelf, en danks mezelf.

Op mijn tocht door de schemering die rozig was en blauw-groen (de wind is gedraaid; 't wordt spoedig minder koud; – ik loop snel; en jij? waarschijnlijk ook?) heb ik nagedacht over het probleem van de-onwettige-vrouw-in-de-biographie. Naar zij me voor den geest kwamen heb ik een aantal levens onderzocht van beroemde mannen en getracht af te wegen in hoeverre de historie hunner amours et amourettes voor mij heeft bijgedragen tot de kennis van hun werk. Er zou een interessante en sarcastische verhandeling over te schrijven zijn. Maar de conclusie is negatief. Ga zelf maar na, als je den tijd hebt. Er bestaat niet één compositie, drama, gedicht, schilderstuk of wat dan ook, waarvan een vluchtig overzicht niet tien-maal nauwkeuriger betreffende het werk en zijn waarde informeert, en zelfs over de natuur van den auteur, dan dozijnen anecdotes. Van de middel-eeuwers weten we weinig of niets. Van Shakespeare weten we niet eens met zekerheid wie hij was. Bach, Vondel waren gedegen burgerlui. Geen enkele anecdote, passionneel of niet, kan inlichten over de essens van een werk; hoogstens, en nog slechts zeer fragmentarisch, over zijn wording. Uit den invloed van dat incidenteele op de wording valt geen enkele regel af te leiden. Alles geschiedt arbitrair; volgens de gril van omstandigheden of humeur. Niemand kan dus gebaat of geschaad worden door de kennis of niet-kennis van het incidenteele in het ontstaan van een werk. Evenmin in de appreciatie van het eind-resultaat der wording, de schoonheid, welker effect in se van zuiver spiritueele orde is. Hoe minder wij zelfs van de wording kennen des te zuiverder spiritueel zal het effect kunnen zijn. (Van bijna geen enkele kathedraal b.v. en o.a. kent men den auteur, de auteurs; van Homerus, het Chanson de Roland, 99/100 der Gregoriaansche muziek weten we niets omtrent den maker, etc. etc.) Met honderden voorbeelden zou men al het anecdotische, incidenteele, biographische kunnen verwijzen naar den rang van het overbodige, het nuttelooze, het verwarrende, het verstrooiende, het dilettantische. Als echter het incidenteele nooit kan informeeren over de waarde van een werk, en slechts zeer oppervlakkig over zijn ontstaan, dat incidenteele en anecdotische kan daarentegen uitstekend inlichten over het menschelijke karakter van een auteur. Maar wat is het schoonheid-scheppende karakter van een auteur? Welk verklarend verband b.v. kan men leggen tusschen de levens-wijze van Villon, Verlaine en hun creatieve wezen, de uren waarin zij schoonheid maakten? Of den burger-man Bach en zijner groote werken naar keuze? (Thesis: de natuur van den creatieven kunstenaar is dubbel; en niet eens hijzelf heeft kennis van de creëerende zijde zijner natuur.) Ten overvloede: bijna nooit, zoo goed als nooit, wint de creatieve persoon erbij wanneer wij hem kennen in zijn dagelijksche, menschelijke, intieme verschijning, (Debussy b.v.!) en zelfs hoe minder wij van hem weten, des te beter gewoonlijk. Want het gebeurt niet zelden dat fouten in een menschelijk karakter ons geheel onnoodig zwakheden releveeren, ja reveleeren, in een kunstwerk. Dat menschelijk karakter is bijna zonder uitzondering middelmatig; zeer zelden extreem in 't goede of in 't slechte. Door kennis van dat menschelijk karakter kan dus ook niet onze waardeering van het werk winnen; slechts bij extreme verschijningen zou zij kunnen varieeren (winnen of verliezen) door een phenomenaal contrast tusschen mensch en werk. – Wel-beschouwd heeft dus het anecdotische slechts één verdedigbare hoedanigheid, en ze is van gering allooi: de anecdote prikkelt een modern publiek, weinig begaafd voor waardeering van het werk, tot nieuwsgierigheid jegens den maker, en dit kan voeren tot belangstelling in het werk.

Ik geef je deze ongeordende notities voor wat ze zijn. Wik ze, mijn lieve sluwerd, en als je 't de moeite waard vindt zeg me je opinie. Ik omhels je en ga nu slapen.

5 Jan. Zaterdag

Die term "de-onwettige-vrouw-in-de-biographie" is burlesk, cadastraal, parodistisch. Er zijn wettige die onwettig, en er zijn onwettige die wettig zijn. Ik wou enkel onderscheid maken tusschen de fundamenteele vrouw, de vrouw van elken dag, elk uur, elke minuut in een leven, en de accidenteele, de vrouw van nu en dan, af en toe!! De moderne biographen hebben de neiging om de rol der fundamenteele vrouw te kleineeren. Ten onrechte, dunkt me, en zonder redenen. Haar actie, van welke soort dan ook, is permanent op de psyche van den man, en op dezen grond veel minder te verwaarloozen, dan de actie, van welke soort dan ook, der accidenteele vrouw. Dat alles klinkt eveneens grotesk! Maar als men die psychologische wisselwerkingen niet reduceert tot haar simpelste, meest mechanische voorstelling, blijft men altijd in het vage.

De wensch, uitgedrukt op mijn eerste pagina, en waarop ik in twee vorige brieven preludeerde, die wensch naar een kind van jou, komt van mijn diepste, eigenlijkste Ik. Mijn redeneerende ik gaat accoord ermee. Maar het verbaast zich niettemin, en met verwondering heeft het de ontkieming, de groeiïng van dien wensch gecontroleerd. Zeer merkwaardig om zulk een verlangen langzaam te zien rijzen uit de onbekendste, verborgenste, ontoegankelijkste

regionen van zich-zelf, te bemerken hoe dat verlangen zich autonoom ontwikkelt, als iets dat reeds eigen leven en vorm heeft, en te observeeren hoe het zich geleidelijk voordoet als een betoovering. Voor de eerste maal heb ik de toen nog ongedachte aanwezigheid van dien wensch bespeurd bij 't lezen van je "ruzie-brief" van 9 nov. – Ik zeg je dit zoo koelbloedig mogelijk constateerend; om je op de hoogte te houden van de richting waarin mijn liefde voor je zich beweegt. Je hoeft je er niet aan te storen. Ik heb je beloofd dat jouw wenschen de mijne zijn en ik zal me houden aan deze belofte.

Van-ochtend je oud-en-nieuwjaars-brieven ontvangen. Drie stuks. Merci. Ze hebben mij in de goede stemming gelaten van gisteren!! Ik zal er morgen op antwoorden. Ik weet nog niet precies wat ik denken zal van je foto en ik begrijp niet heelemaal het fijne van je grapjes, doch beiden, foto en grapjes, doen mij glimlachen. Ik hoop dat je inderdaad bent opgeknapt. Zorg voor je gezondheid. Spaar je krachten, en verspil ze niet.

Je bent lief, bewonderenswaardig lief. En in alles wat je me schrijft heb ik mij eensluidend met je gevoeld.

Thea, liefste, omhels nu je

Matthijs

's middags

in de voorbaat, wat meer dan dagelijksch, hout gezaagd en gekloofd, voor 't geval Joanna morgen komt.

eerste, verdere weergalm in me van je brieven: ik lach nog om en met je foto! maar er borrelen vleugjes ongerustheid naar boven over je welzijn; zulke vlagen schoten me de laatste dagen al meer naar de hersens. Toen ik geen nieuws van je had, natuurlijk. Ik heb ze genegeerd, en zal dat provisorisch maar wéér doen. Nog een zoen op je oogen en je lippen, liefste. En nog! en nog!

Zorg voor je gezondheid. Je le veux!!!

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA