19460104a Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 4 januari 1946

Louveciennes

4 jan. 1946

Liefste,

prettig, gezellig, heerlijk je Kerst-brieven, van-ochtend ontvangen. Ze hebben me geweldig goed gedaan. Zooals je zag of giste heb ik weer aardig geslingerd, geschommeld. Dat brak los op nieuwjaarsdag, treiterde me onophoudelijk en steeg vannacht tot zijn climax! Zeer vervelend, ellendig. Ik woon dat bij als toeschouwer. Doch de paniek heeft den toeschouwer dezen keer niet te pakken gekregen. Ik heb je geen verdriet gedaan (denk ik), misschien een beetje verontrust. Hield ik mijn belofte? Zoo goed mogelijk heb ik getracht om moed te produceeren. Ik word dan als 't ware belegerd, bestookt door een horde van gevoelens die me van jou willen losscheuren, tegen mijzelf in. Hoe verklaar je dat? Die geloofs-kwestie blijft me een tikje kwellen, vrees ik. Mijn heele leven, en vooral de laatste vijf jaren heb ik tè veel geloof moeten fabriceeren, tegen alle klippen op, tegen beter weten in, met eigen middelen, want er is niemand dien ik nooit zag wankelen om mij heen. Hoe is 't gesteld met mijn reserves, mijn voorraad? Wist ik 't maar! Op dien Maandag 17 sept. ben jij eensklaps in mij opgeweld als een nieuwe bron, – waar op ik niet rekende, welke ik niet verwachtte. Een soort geyser! Schrik niet, liefste, voor "de verantwoordelijkheid"! Je hebt niets te biechten, – wat mij betreft! Alles hangt af van mij. Gelijk van ouds. De "dingen" en hun kleur zijn zooals ik ze maak en maken kàn. Je zei 't me reeds menigmaal! Pauvre de moi! Merci, toch, en uit de diepten mijner ziel, voor je hulp van dezen morgen. Hoe spijt 't me, dat 't litanietje weer ontbreekt. Maar zonder geloof – ik weet 't nu – geen lyriek. Ja, desnoods, de lyriek van alleman; doch niet de lyriek die in je woelt als een brand waartegen je niets vermag. De genade. En dàt was de zin van: wees mij genadig. Mag ik je zeggen wat ik versta onder geloof? Dit: als iemand je zou vragen uit het raam eener derde verdieping te springen, en je zoudt 't zonder aarzelen doen, met de absolute zekerheid dat je behouden terechtkomt. Het geloof, per slot, dat de bergen verzet. Maar wat ik nog niet ontraadseld heb: is het de lyrische toestand die mij tot dat geloof brengt, of is het zulk geloof waardoor ik in lyriek raak?? Wat denk jij daarvan? Gecompliceerd. Dit leerde mij de ondervinding: als ik iets kan is er dat geloof; en wanneer dat geloof faalt kan ik niets. Merci voor je hulp!

af te raden voor je gezondheid, liefste, zoo'n doorwaakte Kerst-nacht; je vader zou gezegd hebben (maar hij sprak mij nooit van 't "veege lijf"!) "u zult dit later betreuren..."; je bent over de schreef gegaan; heel begrijpelijk dat je het vuur hebt moeten missen. Welk een karwei soms, dat vinden van het vuur! Hoe mooi lijkt 't me om dat samen te wekken, samen aan te blazen, samen te doen vlammen. Het geheim van: gedeelde vreugd is dubbele vreugd.

ik kom niet tot zakelijke onderwerpen, dezen morgen. ik zit voortdurend te mijmeren; en de tijd vliegt; hoe gaarne zou ik eens met je praten, zwammen, kletsen, onder vier oogen, en zonder eind. Ja, liefste, ik houd van je, ik bemin je, alles ben je me, mijn geloof!, en moge ik zijn, laat me zijn

je Matthijs

mijn vuur, mijn vuur, ik omhels je, Thea.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA