19451211 Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 11-12 december 1945

Louveciennes

11 Dec 1945

's avonds

Liefste,

toen ik daareven in den nacht verzonk kon ik niets anders meer doen dan te mompelen: kom me wat helpen Thea, kom me wat troosten Thea. Ik ben vandaag door een soort van wolk gegaan. Ik weet niet wat voor wolk, van emanaties welke mijn heele wezen ophitsten tot verbrijzelen, afbijten, razen. Ik herinner me niet ooit zoo verontrust, geplaagd, geteisterd te zijn geweest. Waar kan die funeste roering van aanwaaien? Dat heeft den heelen dag gedreund, getrild als een beving van mijn binnenste voor iets geduchtigs, iets vervaarlijk opwindends dat me omhult, doordringt, verkoortsigt. Zoo'n storm tiert onderhuidsch, geruischloos; verwoestend, schuddend, schokkend, alsof ik te midden door een ramp ging. Alles wat opwelde naar de hersens wilde kraken, breken, beuken, vergruizelen. Het is nog niet voorbij. Hoe heb ik je noodig gehad, hoe heb ik je noodig nu. Geen hulp. En zal de kalmte nog ooit zijn als vroeger? Het benarrendste is dat ik in die razernij niet kon laten je te schrijven alsof ik voortgeduwd werd, gepord. Niet meer te achterhalen. Het moest. Wat zou 't goed zijn na zoo'n overrompelende verduistering te kunnen rekenen op een beetje gelukkige liefde. Ik zie de woorden die ik je zeggen wil, en toch moet ik ze zoeken, naar me toetrekken. Slaap zacht, liefste. Zal ooit de dageraad nog zijn als vroeger?

Woensdag 12 Dec.

Lieve Thea, ik heb dat genoteerd voor je, toen mijn licht weer aanging, omdat ik er niet buiten kon, en ook om je alle kans te geven tot begrijpen van wat je later anders misschien niet duidelijk zou zijn. Je moet een dag beleefd hebben als ik gisteren om Othello de Moor van Venetië, een heel gewoon personnage te vinden. Het zinnetje uit je brief van 9 Nov. heeft er niets mee uitstaande, en Freud heeft geen gelijk, bij mij in ieder geval niet. Zoo'n zinnetje behoort tot de wonden die ik gaarne ontvangen zal. Het euvel is veel kwaadaardiger. Ik ben jaloersch als een Turk. De naam en voornaam van S. werken precies bij mij als het roode vlaggetje op een stier in de arena. Het is automatisch. Ik merkte het pas weer toen ik las dat het wel prettig was voor mij nu hij bij je komt om hem alvast te kennen. Je bent naïef. Terwijl ik eergisteren las dat je zijn innigheid wel gewild en ook gekregen hebt; terwijl ik vorige week las van het niet-voorbijteziene groot stuk hart van je dat hij in 't verleden besloeg, waaraan je toevoegde "maar het gaat nog door"; en van vroeger nog: "hij komt in Dec. hier, ik ben benieuwd hoe het dan is tusschen ons". Je weet dat met jaloerschheid niet valt te redeneeren; zij vraagt niet of zij gemotiveerd is of ongemotiveerd. Het helpt dus niets of je me al bewijst dat er geen grond voor bestaat, dat 't van een andere orde is, vriendschap etc. Maar dat alles daargelaten. Er zijn een hoop menschen die jaloersch kùnnen zijn. Ik niet. Jaloerschheid is een vernederende positie welke ik niet accepteer, en die ik, al ware S. Keizer van China of steenbikker niet zal accepteeren. Ik ga dus waarschijnlijk maatregelen treffen tegen dat "soevereine, liefhebbende ik" om het nog eens te noemen. Terwijl het mij litanieën dicteerde hield ik wel van dat ik. Nu echter draait het mij loeren die niet door den beugel kunnen. En we zullen zien wie de baas is. Alvorens echter een definitief besluit te nemen wil ik nog enkele brieven van je afwachten. Maar verwonder je niet wanneer je binnenkort (verondersteld dat je me een beetje liefhadt) "iemand zoudt moeten liefhebben die je niet liefhad" om, zooals je zegt, te leeren wat liefde is. Want als mijn plan, dat ik vannacht maakte, doorgaat, dan draai ik dat "soevereine, liefhebbende ik" eenvoudig den nek om. Als mij blijkt uit jouw verdere houding dat mijn "ik" zich smadelijk liet bedotten, dan verdient het niet beter. Maar géén jaloerschheid. Pas de ça! Dat is niets voor mij. Géén teleurstelling. Die duld ik niet, die verdraag ik niet. Jij, van jouw kant, als je naast je coup-de-foudre-vriend, je wetten der Kerk, onze ontelbare verschillen, enz. enz. ook S. gemobiliseerd hebt om me aan 't verstand te brengen dat ik op een dood-loopend pad strompel, je kunt dan tevreden zijn: je zoudt je doel bereikt te hebben, zelfs met een naïeveling als ik. Nog slechts één woordje van je en ik begrijp.

Let wel: er verandert niets. Ik ga door met op je brieven te antwoorden. Als je wilt verklaar me dit raadsel nog: Hoe rijm je dien wensch van je om "heiliger" te zijn en die accessen van je "frivoliteit" waarin je de brave collega's van je "wild" maakt? Ik zou zulk een scène eens onzichtbaar moeten kunnen bijwonen om me een idee te vormen. Heb je ook mij met je briefje van 11 Sept., ontvangen 17 Sept., eventjes "wild" willen maken? Niet meer dan dat wellicht? En je zegt nooit gedaan te hebben aan spelen met mannen? Ik naïeveling die meende mijn weinig gebruikelijke taal te vernemen! Ik ben erin geloopen als "de eerste de beste" n'importe qui! Geloof je dat ik dat van mij duld, dat ik mij zoo iets vergeef? Ken je de roman van Pierre Louÿs La Femme et le Pantin? Niet noodig; de titel zegt genoeg. Van alle rollen welke een mensch kan vervullen, of tot welke hij kan vervallen, zou dat de eerste zijn die ik afwijs, en de eenige die ik nimmer zal aannemen. Jij bent eerlijk; laat mij het ook zijn.

Tot deze minuut toe, en daarna, heb ik je nog lief, ik vind je nog lief, en vanochtend nog als op 17 Sept. heb ik in je gevibreerd, vibreer ik nu. Maar geen compromissen met mij, geen halfheden. Mijn liefde is in je hand. Doch niet jij zult haar wurgen, als 't noodig is, maar ik,

je Matthijs

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA