19451207 Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 7 december 1945

7 Dec. '45

Lieve Matthijs, ik ben vanochtend om ½ 6 wakker geworden en heb toen nog veel nagedacht over je brief van 2 en 3 Dec., want ik kon niet meer inslapen. Eerst dacht ik aan de inconsequentie van voor een paar dagen gezegd te hebben: het is goed als ik geen litanie meer krijg, en nu er weer om gebedeld te hebben. Maar die inconsequentie zul je wel begrepen hebben: met de litanieloosheid om "technische" redenen kan ik vrede hebben, niet met die om innerlijke redenen. En toen heb ik gedacht aan de litanieën van de 2e helft van Nov., die ik gisteren had overgelezen, omdat je schreef dat je duisternis half Nov. al begonnen was en omdat ik het zoo vreemd vond dat ik dat niet gemerkt had. De meeste ervan zijn in den verleden tijd geschreven, wat wel iets van een vermoeiden klank geeft, maar ze zijn anders misleidend: je hebt er heel dikwijls het herfstlandschap of de herfstatmosfeer in betrokken, ze waren soms beïnvloed door stagnatie van de post, soms door het uitgaan van de lamp – dat alles maakte een lichte melancholie zoo vanzelfsprekend, dat ik er niets achter gezocht heb; en dan waren er plotseling weer die extase-dagen tusschendoor en niet te vergeten die eene, alle duisternis verjagende, invocatie: "jij, mijn eigen hart wordend, en iederen dag meer"1 – kan je begrijpen dat ik het niet gemerkt heb?

En daarna dacht ik: zou toch dat zinnetje van 9 Nov. zoo'n kwade nasleep gehad hebben? En zou Freud dan toch gelijk hebben dat je het maar dadelijk had moeten zeggen, dat het je dwars zat? Of is het het verhaal van Peter, dat ik ongeveer half Nov. gedaan moet hebben? Had ik dat moeten verzwijgen, diende dat tot niets? Ik dacht, nu hij hier kwam, dat het wel prettig was dat je hem alvast kende.

Daar kwam de post – ik vreesde dat er niets van je zou zijn en was vreeselijk blij toch de blauwe enveloppe te zien. Het was de brief over de artikelen, een waar ik vroeger verrukt mee geweest zou zijn en waar ik nu een beetje snel overheen gelezen heb, omdat ik zocht of er nog iets over je gemoedsgesteldheid in stond. Je schreef op een briefloozen dag en daarom stond er niets of bijna niets over ons beide in. Het had kunnen zijn dat je duisternis weer over was, zie je, daar keek ik naar uit, ik had dat wel graag geweten. Maar het is misschien wel rustig voor je geweest dien dag, om eens enkel (of bijna enkel) aan Pappie en die lamme artikelen te denken. Ik ben blij dat ik ze verzonden heb en dat het licht je blijkbaar niet in den steek heeft gelaten (onder het lezen althans). Ik ben indertijd ook zoo giftig over die artikelen geweest, ik zie me nog streepjes zetten en Moeder ophitsen om er iets tegenover te stellen. Verleden winter heb ik haar stuk eens overgelezen en was toen ook gefrappeerd door de voortreffelijkheid. In den zomer van '27 heeft Moeder aan een Oostenrijkschen vriend2 van ons gevraagd of hij ons ergens in een klein Tiroolsch dorpje onder kon brengen, waar zij rustig de gelegenheid zou hebben dat artikel te schrijven. Dat is toen ook gebeurd en omdat het Gasthof tè primitief was, zoo primitief dat wij dachten rechtsomkeert te moeten maken, hebben wij toen in de pastorie onzen intrek genomen. Daar was het stil en J. en ik gingen eropuit met dien vriend, een geestelijke, en met Juffr. Westenberg, een oud-leerling van Pappie, die Moeder expres had meegenomen op reis om vrijer van ons te zijn. Moeder was toen heel erg prikkelbaar, ik heb geen prettige herinnering aan dien zomer, en zooals ik je al schreef, hebben wij in den daarop volgenden winter nog moeilijke uren doorgebracht met de bespreking van het artikel. Moeder was zoo bitter in dien tijd en die bitterheid zat ook in het stuk, en dat leek me ongewenscht. Weet je, Moeder heeft ook jarenlang, misschien wel 10 jaar na Pappie's dood, niet kunnen genieten van zijn muziek; zij zat altijd met een van smart vertrokken gezicht te luisteren. Ik heb daaronder geleden, ik begreep het niet, ik dacht: waarom nu toch niet te genieten van iets dat mooi is en dat ons dierbaar is? ik dacht dat zij door smart bewogen was omdat hij dood was en ik begreep dat niet, want ik vond dat de schoonheid van de muziek daarbuiten stond; pas veel later heb ik begrepen dat het nooit iets anders was dan haar zelfverwijt dat haar kwelde en op zijn hevigst kwelde als zij die muziek hoorde. De bitterheid kwam wel ergens vandaan: van al het onverstand en misverstand en toch was haar eigen zielemarteling overal doorheen geweven.

Reuze leuk dat je je kwaad maakt en je mooiste, kleineerendste woorden bij elkaar gaart om Pijper er Hol af te maken. Ja, als Pappie eens geregeld had kunnen dirigeeren! Niemand gelooft het dat hij daar zooveel talent voor had – ik bedoel met "niemand" o.a. Reeser – omdat Rutters en al die andere knullen altijd gezegd hebben dat hij er niets van kon. Ik herinner me met absolute zekerheid dat ik sommige dingen uit Pappie's werk nooit meer zoo gehoord heb als onder hem. Reeser denkt dat ik een ideale herinnering heb aan die uitvoeringen die ik als kind gehoord heb en dat ik later teleurgesteld geweest ben omdat ik preciezer had leeren luisteren. Ik wijs dat van de hand. Want ik verbeeld me dat ik die plekken zelf zou kunnen dirigeeren zooals ik ze van Pappie gehoord heb. Wat zou het muziekleven er anders hebben uitgezien als ze Pappie dat hadden aangeboden!

Het zou wel fijn zijn als je nog eens iets schreef over Pappie, sämtliche tijdschriften zullen tegen April graag wat van je krijgen. (Paap heeft mij om de Amst. overzichten voor zijn blad gevraagd: ijselijk. J. vindt dat ik het toch maar doen moet.) Zou jij het verband kunnen leggen tusschen zijn muziek en het Katholicisme? Dat zou reusachtig zijn als dat eens gebeurde. H. Andriessen heeft er iets over geschreven aan de hand van briefcitaten, dat zal ik eens opzoeken en je sturen als ik het de moeite waard vind – ik zal het nog eens doorkijken. Hij heeft dat gedaan op verzoek van Moeder ook in dien zelfden tijd, omdat P. en H. daar zoo'n misselijken onzin over kletsten. Heb ik je al eens verteld dat ik Hol ben gaan opzoeken, evenals ik Matthijs Vermeulen ben gaan opzoeken? Ik vond hem een niet aantrekkelijk oud heertje, die me niet veel te vertellen had, maar merkwaardig was wel dat als 't ware die 30 jaar, gelegen tusschen de breuk met Pappie in '06 en mijn bezoek in '36, volkomen weg vielen; zijn herinnering was wel vervaagd, maar het leek bijna alsof hij die 30 jaar niet geleefd had, ik weet niet hoe ik dat moet uitdrukken, nog minder hoe ik het zou kunnen bewijzen. Hij is au fond een klein mannetje, maar hij heeft als jongen wel heel erg van Pappie gehouden. Ik ook zou over al deze dingen "et de quibusdam aliis" met je willen praten! Wanneer? Zal ik voorloopig maar een + zoenen? Th.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. Zie Vermeulens brief van 24 november 1945.
  2. Max Gmachl.