19451207 Matthijs Vermeulen aan Thea Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Diepenbrock

Louveciennes, 7-8 december 1945

Louveciennes

7 dec. 's avonds

Lieve Thea,

Er is licht. Het eene, van die lamp daar, kan mij in den steek laten, hoewel ik mijn part reeds had. Het andere, dat van mij, is ondoofbaar. Ik heb nog even je vijf laatste brieven herlezen om te kijken of er een vraag van je onbeantwoord bleef. Geen enkele. Behalve je opmerking dat ik je nog niet vertelde of ik van iemand hield om zijn eigenschappen. Maar nauwlijks begon ik daarover te piekeren en gebaarloos zat ik in den knoop. Want er zijn twee soorten van eigenschappen: de aangeboren, en de aangeleerde. Welke bedoel je? En waar is hun grens? De aangeboren winnen of verliezen dikwijls door bijleeren. Hoe ze te onderscheiden? De aangeleerde lijken dikwijls aangeboren, en zelfs omgekeerd. Mijn kop draait er al van, en de jouwe ook. Maar gesteld dat ik zei: ik houd van iemand omdat zij "prachtig" piano speelt, of omdat zij lekker kookt, of omdat zij knap schildert, of omdat zij verleidelijk mooi is, of omdat zij een aardig karakter heeft, – dan was ik nog niet verder. Want je bent sluw genoeg om mij te repliceeren: maar er zijn een menigte vrouwen die "prachtig" piano spelen, koken, schilderen; massa's die mooi en aardig zijn tegelijk. Daar zou ik niet van terug hebben. Want als ik van de eene houdt omdat ze goed schildert, waarom zou ik dan niet van een andere houden die even goed, of nog een beetje beter schildert, en die daarbij niet leelijker hoeft te zijn? En als ik me zou laten inpalmen door eene die een snoes is of die "reuze"-beenen heeft, waarom niet door een andere snoes of andere reuze-beenen? Er valt niet te ontkomen aan die listige vraag van je. Onmogelijk. Je plaatst me weer voor een onoplosbaar probleem. Wil ik daarmee zeggen dat iemand van wie ik houd geen eigenschappen bezit? De hemel beware me. Hoe de andere menschen hun keuze verrichten om zulk een onnoemelijk getal ongelukkige, mislukte, rampspoedige huwelijken te sluiten, ik weet er niets van, dat gaat me geen snars an, dat is hun zaak. Maar ik, als ik van iemand houd, laat me uitsluitend leiden door een innerlijke beweging, je zou kunnen zeggen "stem", die geheimzinnige, tooverachtige, zeldzame weerklanken in me wekt. Ze spreekt niet dikwijls die stem; eigenlijk moet ik zeggen: ze antwoordt niet dikwijls. En zonder twijfel omdat mijn binnenste zich pleegt uit te drukken in een weinig gebruikelijke taal. Zóó weinig gebruikelijk, dat de enkele, de paar onvergetelijke vrouwen die haar kenden en verstonden, uiteraard eigenschappen bezaten en bezitten moesten, welke nergens ter aarde en bij niemand huns gelijke vonden, zóó zelfs, dat, wanneer ik haar taal hoorde, ik mij niet meer om eigenschappen hoefde te bekommeren, want alleen reeds mijn taal te kunnen spreken en begrijpen was als een goddelijke waarborg voor heel het overige. Goedste nacht nu, liefste. Je suis, je vais dans ta clarté, dans ta claire lumière.

Zaterdag 8 dec., einde van den morgen

Brieflooze dag. De derde dezer week. Het schijnt dat ik periodiek deze penitentie en beproeving moet doormaken. Bien fait pour moi! Ik zou dood-ongelukkig behooren te zijn, en ik ben 't niet. Ik kan je uitstekend situeeren. Je bent hier. Ik vraag me zelfs wat ik met je doen zal. Ik weet 't. Jij staat, bij de piano. Ik lig geknield voor je, mijn hoofd tegen je schoot, mijn armen om je dijen, liefkoozend, en wijl ik anders niet goed weet wat ermee te doen (met m'n armen). Jij, je kijkt zacht, met een nuance van ironie, je legt je handen op mijn kop, je zegt streelend "idiot", je trekt me vriendelijk bij mijn haren om me te doen opstaan. Maar ik wil nog niet, druk mijn hoofd vaster tegen je schoot, omarm je dijen, en jij trekt harder aan mijn haren. Zoo gebeurt het terwijl ik mijn liefhebbende, soevereine ik raadpleeg. Neem mij niet kwalijk dat ik 't daar zoo dikwijls over heb. Maar dat kan niet anders. Dat is mijn tyran. Hij leeft slechts, en wil slechts leven par rapport à toi, in verhouding tot jou. Ik heb niets over hem te zeggen. Hij doet wat hij verkiest. Het is hij die aan je voeten ligt, tegelijk biddend, beminnend, en zeker van verhooring. Het is hij die op 't moment golven van teederheid naar je uitzendt, je ermee omwikkelend, je ervan doordringend als met een geur van dennen-hars op heete dagen. Hij is 't die nu tranen in mijn oogen zou willen brengen van louter zachtheid. Als ik hem begaan liet (maar ik smoor hem) zou hij jubelen. Vindt je hem vermetel, verwaten? Ik wel. Maar vergeet niet dat hij op zijn knieën voor je ligt, je omarmend, imploreerend, zooals vroeger de smeekelingen. Vergeef hem die zekerheid. Zou hij zeker zijn als hij niet wist dat je oneindig lief bent en goedertieren? Hij brengt mijn heele wezen in rep en roer. Hij liefkoost je met dankbaarheid, terwijl en omdat hij zich over dien afstand van vijf honderd kilometer door jou geliefkoosd voelt. Is 't niet merkwaardig? Kan hij zich vergissen? Neen!

Ik noteer je de gewaarwordingen van dat "soevereine ik" precies zooals ze zijn, om je te laten controleeren of die meester van me, en jouw onderdaan, goed en eensluidend met je is afgestemd. Proef op de som zonder eenig rationeel gegeven. Zuivere telepathie! Ik waag ze. Hij durft alles op 't oogenblik. Zóó één weet hij zich met jou.

Den ganschen morgen gestudeerd, geblokt op het "Gregoriaansch" om mijn wetenschappelijk geheugen een tikje op te frisschen. Ik ben in die naar alle uitspansels reikende sfeer van den Ave Maris Stella, den Alma Mater, den Salve Regina. Hij omhelst je in deze onvergelijkbare zone's der gevleugelde liefde met je

Matthijs

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA