19430806 Thea Diepenbrock aan Anny Vermeulen-van Hengst

Thea Diepenbrock

aan

Anny Vermeulen-van Hengst

Vaassen, 6 augustus 1943

Vaassen, 6 Aug '43

Lieve Anny, er is plotseling nog een briefkaart van je gekomen van 22 Juni, terwijl een paar dagen eerder een brief van 19 Juli was aangekomen. Het is een onaffe briefkaart over het concert in Parijs, waar je zeker een vervolg op hebt geschreven dat misschien nog eens loskomt bij de censuur. Uit deze brk. lees ik dat ze dus tenslotte toch alleen het 1e deel gespeeld hebben, maar zonder vermelding dat de andere weggelaten werden. Wel idioot, maar beter toch dan dat ze het geheel verknoeid hadden. Ik betwijfel of één week meer studie zooveel geholpen zou hebben. Want als je zoo weinig inzicht hebt, dat je denkt zooiets wel rutsch-rutsch erin te kunnen krijgen, heb je dan wel de faculteit om een moeilijk modern stuk te kunnen spelen? Waarom dacht je me te moeten waarschuwen voor die moeder Onnen? Ik zal haar in mijn leven wel niet meer zien en we spreken elkaar heel beleefdelijk maar een paar minuten. Met je te stimuleeren in de richting van de piano heeft Lia blijkbaar een goed werk gedaan. Ik bewonder je energie. Van Cortot heb ik me indertijd eens zijn uitgave van de Etudes van Chopin aangeschaft, maar ik heb het geduld niet opgebracht om al die oefeningen te zitten uitkienen. Ik heb wel geduld om 20 jaar lang het zelfde te studeeren, maar om de technische moeilijkheden zoo te gaan compliceeren en te varieeren, dat verveelt me. Daarentegen vind ik het best om altijd weer Czerny te spelen en de Etudes van Chopin gewoon zooals ze er staan. De Sonatine van Pijper, die je noemt, is de zelfde die ik toen gespeeld heb. Heb ik ze ook niet vinnig en hamertjesachtig gespeeld? Dat hoort er zoo bij. Nadat ik het laatste schreef hebben we nog krankzinnig drukke dagen gehad, vol netelige problemen die opgelost moesten worden. Vertelde ik al dat Koosje het zoo reuze slecht maakt? De dokter had ons eerst gerustgesteld en gezegd dat het geen beroertetje was geweest, waardoor haar gezicht scheef getrokken was en haar ééne oog etterde. Hij zei dat het na een paar maanden wel bij zou trekken, als zij maar erg rustig-aan deed. Maar nu kan zij ineens met het niet-aangedane oog niets meer zien en de oogarts gelooft niet dat het beter kan worden en zegt dat er toch bepaald wel iets in die hersenen is gebeurd. Het is zoo zielig, omdat zij zich haar levenlang zoo verheugd heeft om "op d'r eigen" te gaan wonen, en dat zal nu niet meer gaan, zij zal in een gesticht moeten. Zoo bezien wordt het ook begrijpelijk dat zij zoo mateloos klaagde over de duur van den oorlog: elke dag langer kan voor haar beteekenen "te laat". Het is een vicieuse cirkel: had zij niet zoo ontzettend getobt, was zij wat gelatener en meer overgegeven in God's wil geweest, dan was die beroerte misschien nog uitgebleven. Of zou dat niet zoo zijn? Zij is pas 58 en zij was nooit bepaald ziek, dus je kunt begrijpen dat er voor ons nooit aanleiding geweest is haar al eerder te pensioeneeren. Verzekeringen en zulk soort dingen gaan allemaal op zijn vroegst pas op je 60ste jaar in. Wil je er eerder van profiteeren, dan kost het je handen vol geld – Wij hebben dan ook nooit anders gedacht dan haar op haar 60ste te pensioeneeren. En we hebben ook zelfs niet de gelegenheid gehad het eerder te doen, want toen Moeder stierf, kregen we het ineens ontzaglijk druk en zouden wij niet geweten hebben (nog afgezien van het hartzeer dat ons een afscheid van K. gekost zou hebben) hoe wij den tijd moesten vinden om een nieuwe meid in te wijden. En toen kwam de oorlog, en toen kon je al gauw totaal geen personeel meer krijgen. Het is m.a.w. wel heel logisch dat het zoo geloopen is, maar voor K. is het een reuze zielig einde. Dit is een lang verhaal, maar je begrijpt dat wij er erg mee bezet zijn. Gedurende dat we weg zijn, is zij 14 dagen in huis om te luieren, dat vindt zij fijn, en dan gaat zij nog 14 dagen naar boeren in N. Holland. Helaas is het nu net in deze periode met de bonnen reuze ingewikkeld, zoodat wij niet weten hoe zij zich daaruit zal redden! Wij hadden alles op zijn makkelijkst voor haar in orde gemaakt en nu is alles ineens weer anders!

Intusschen is je vervolgbriefkaart gekomen – misschien stuur ik hem door aan v. Wezel. – Wij genieten hier erg van de stilte. Het is afwisselend weer, voor fietstochten zou het niet mooi genoeg zijn, maar onze banden zijn toch niets meer waard (ik heb sinds de mijne gestolen is, een fietsje te leen) en we vinden het ook veel heerlijker om alleen maar te koken en te tikken voor de biographie, blijven liefst zooveel mogelijk bij honk. Ons verandatje is op het Oosten en dus beschermd voor regen en Holl. Westenwinden.

Is mijn potloodgekrabbel te lezen? Ik zat straks buiten op mijn knie te schrijven en mijn vulpen is altijd leeg, laat zich niet meer vullen en dat indoopen vond ik te lastig daarbuiten.

Ik maak me toch eenigszins ongerust over Donald, n.l. over zijn politieke opvoeding. Dàag – veel liefs

je

Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA