19420602 Matthijs Vermeulen aan Thea en Joanna Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea en Joanna Diepenbrock

Louveciennes, 2 juni 1942

Louveciennes (S et O)

2 Rue de l'Etang

Dinsdag 2 juni 1942

Beste Thea, Beste Joanna,

Vanaf dat mijn vorige brief weg is heb ik lust om opnieuw te schrijven. Ik weet niet waarom. Wijl ik ontevreden was over zooveel dat half of slecht uitgedrukt was gebleven? Wijl ik geen zin en geen macht had om me direct weer tot over de ooren in een nieuwe en geheel verschillende muziek te werpen? Ik weet het niet, maar ik verzet me niet langer. De voorbije week is te slecht geweest, of dat verbeeld ik mij ten minste. Een rij van grauwe dagen zonder eenig innerlijk licht en zonder eenigen stimulans om met geweld en moeite te veroveren wat niet goedschiks gegeven wordt. Het ongelukkige gevoel van nooit in zijn leven muziek gemaakt te hebben. Hetgeen zoo dichtbij en gemakkelijk scheen terwijl ik aan het andere werkte is weggezweefd naar een verte die opeens onbereikbaar lijkt. Altijd dat bijna stekeblinde tasten, aarzelen, wroeten, te midden van een interieuren orkaan. Afschuwelijk; om er alles bij neer te gooien! Ik heb in die dagen een boek gelezen over Leonardo da Vinci, die hier "actueel" is omdat Paul Valéry zich regelmatig met hem bezig houdt. Een type in hetzelfde genre – zonder te vergelijken overigens. Wist je dat hij drie jaren gewerkt heeft aan het portret van Monna Lisa (een prachtige reproductie hing bij jullie in de achterkamer als ik me goed herinner) en dat het na die drie jaren nog niet af was? Men stelt hem hier gaarne voor als een vertegenwoordiger van "de rede" in oppositie tot "het hart". Ik geloof daarvan weinig. Het schijnt me veeleer dat bij een man als Leonardo "het hart", en alles wat men daaronder verstaat, oneindig op "de rede" vooruit was, en dat juist het intuïtieve, het psychische, het demonische deel van zijn wezen eischen stelde aan het verstandelijke, mechanische deel, eischen waaraan "de rede" slechts met de hoogste inspanning kon gehoorzamen en eenigermate kon voldoen. Het eigenlijke drama, het voornaamste psychologische probleem van zulke organisaties (ik denk hierbij ook aan Diepenbrock) is, dat, wat zij ook maken, en hoe voortreffelijk ook, hoe hoog zij ook stijgen, zij voor hun eigen oordeel, voor hun eigen rechtspraak toch echte stumpers, echte stakkers blijven. Wanneer een Leonardo de cerebrale faciliteit gehad had van een Raphaël, van een Michel-Angelo, en een Debussy, een Diepenbrock de mechanische faciliteit van een Bach, van een Händel, van een Mozart, hoevele en hoe verschillende wonderen zouden zij "spelenderwijze" verwezenlijkt hebben. De eenen liet "het hart" tamelijk met rust. De anderen verlokte dat diepere "hart" immer tot uitdrukkingen die immer grootere avonturen waren. En ze niet "spelenderwijze" te kunnen uitvoeren, overal en altijd met hun "rede" de menschelijke onmacht, de menschelijke beperking te voelen, ziedaar hun torment, ziedaar de gier die hun den lever afknaagt. Maar als zij harmonischer georganiseerd waren zouden zij zich met recht "Goden" mogen wanen".

Ik heb me in die ellendige week ook opgebeurd met de "Lydische Nacht". Is het bestaanbaar, Thea, dat je dit werk, zoo ik je goed begrijp, na de eerste uitvoering niet meer gehoord zoudt hebben? Wat een mooie, wat een fijne, wat een sterke compositie! Ik vraag me af of het niet zijn "meesterwerk" is. Wat een magistrale expositie van de thema's en van het gegeven, wat een evenwicht in de ontwikkeling, en wat een niet alleen expressieve maar ook savante doorvoering van het "materiaal". Wat een soepele, lumineuze, mediterraneesche instrumentatie (zilverig, goudkleurig, brons, avond, nacht en morgen). Wat een overvloed van verlevendigende détails in de reeds zeer levende groote lijn. Heb je b.v. gemerkt, waar de dichter spreekt van "'t pauwberoemd Samos" dat hij even, als 't ware in 't voorbijgaan, met de es-clarinet den pauwen-kreet haalt uit een melodische passage welke dezen kreet als bij toeval bezit? Kende hij den pauwen-kreet? Het is in die mate natuurlijk dat men eraan gaat twijfelen of hij het expres gedaan heeft. En zoo zijn er een menigte andere "kleinigheden" die deze compositie even rijk maken aan gebeuren, even perspectievisch wijd als de oude schilders die steeds een raam openen, of een spiegel, op de betoovering der buitenwereld. Wonderbaarlijk deze ietwat stugge, academische verzen te zien in zijn tooverlantaarn. Voor een waar mirakel houd ik de zekerheid, de volheid, de suggestieve kracht waarmee hij in dit werk de panische ontsteltenis vertolkt heeft. Men moet hierbij observeeren (zooals bij verscheidene andere zeldzame gemoedsberoeringen, gelijk b.v. de extase) dat het voor een letterkundige, een dichter, ontzaglijk gemakkelijker is daarover te spreken dan voor een musicus. De letterkundige behoeft de panische ontsteltenis niet ondergaan, zelfs niet benaderd te hebben om haar onder woorden te brengen. Hij heeft daarvoor een gansch répertoire dat teruggaat tot de verste oudheid, en dat, jammer genoeg, altijd vaag blijft en approximatief. De dichters hebben goed praten! Doch voor den componist is het een geheel andere zaak. Hij moet tot den kern terugkeeren, tot het reëele geval. Hij moet doordringen tot waar de beweging, de atomische beweging begint van de panische ontsteltenis. Hij kan haar niet vermelden, niet min of meer koelbloedig beschrijven als een curieus phenomeen. Hij moet deze poëtische mummie leven inblazen. Hij moet haar scheppen, creëeren, haar doen vibreeren in haar wording, haar groei, haar opspringen, haar uitbarsten. Hij moet die fantasmagorie zóó voor ons zetten dat zij voor ons inderdaad een werkelijk ding wordt, dat wij niet op zekeren afstand en als geïsoleerd bijwonen, maar waarin we gansch worden ondergedompeld en dat ons doorbeeft als een elektrische schok. Terwijl nu de dichter met geen enkel woord verraadt dat hij de panische ontsteltenis anders kent dan van hooren zeggen, dan als rederijkers-thema, heeft ze bij Diepenbrock door al zijn vezelen moeten varen, moeten woeden, of liever kunnen varen, kunnen woeden, en dit in geen enkelen figuurlijken zin vooral, maar strikt letterlijk, volgens den aard, volgens de wetten der muziek, die, wanneer ze goed is, steeds, onfeilbaar terugdaalt naar het eerste begin, naar den oorsprong der dingen en hun in-beweging-zetting, naar de regionen van Pan en het panische zelf. Onder sommige gezichtshoeken, werkelijk, is de muziek een vreemde, een schrikbarende kunst. En dit panische gerealiseerd te hebben houd ik voor het groote mirakel van Lydische Nacht. – Tusschen haakjes, Thea, wie heeft indertijd de drukproeven gecorrigeerd van deze partituur? Ik heb verscheidene drukfouten gevonden, welke ik je, als 't noodig mocht zijn, zal signaleeren. – Wanneer ik zulk een werk bestudeer heb ik den treurigen indruk dat ikzelf aan Diepenbrock indertijd toch nog niet de waardeering heb kunnen schenken die hem toekwam. Het is waar, bij de eerste uitvoering stond men "aan den vooravond" van den oorlog van 1914. De aarde, het leven had in den herfst van dat jaar een zoo ander uitzicht dan in de lente. Zooveel scheen eensklaps ondenkbaar geworden voor hen die zich vergewisten, die zich rekenschap gaven. Ik hoor Diepenbrock op een Augustus-avond, terwijl hij me naar de tram bracht, nog vertellen, met een accent waar galgen-humor in lag, dat Zalsman hem gezegd had hoe slecht hij zich voorstellen kon dat er in de Larensche bosschen, op zoo korten afstand van de moorddadigste tragedie, nog verliefde paartjes rondliepen! – Jammer ondertusschen, dat Lydische Nacht voor baryton geschreven is. Het zou een prachtig stuk zijn voor Joanna. (Hoe geleidelijk, hoe "gewoon" gaat de declamatie over in den zang!) Zou het geen overweging verdienen om een kenner als Pijper te raadplegen, in hoeverre, desnoods met welke kleine wijzigingen, Lydische Nacht uitvoerbaar zou zijn voor mezzo-sopraan? Ik vrees dat een baryton, die affiniteit voor zulke muziek bezit, altijd zeldzaam zal blijven. – Het zou eveneens nuttig zijn, dunkt me, wanneer een klavier-uittreksel verschijnt, om een Fransche en Duitsche vertaling aan den tekst toe te voegen. Het speet me reeds dat niet te vinden in de partituur. Dat ware veel logischer dan een gedicht van Hölderlin te completeeren met een vertaling in 't Hollandsch. Doch aan deze dingen heb je waarschijnlijk zelf reeds gedacht.

Je hebt een paar keer de feesten van 1912 aangeroerd, Thea, en je schijnt te denken dat ik daarbij tegenwoordig geweest ben. Neen, hier bedriegt het geheugen je. Hoewel dit van weinig belang is, behalve voor mij, zul je misschien de oorzaak willen kennen van die afwezigheid. Welnu, zoo vreemd als dit schijnt, ik ken haar zelf niet. Doch ziehier wat er kort te voren gebeurd was. Op het program van het driedaagsche feest van Toonkunst, met congressen etc., eind-Juni of begin-Juli dat heugt me niet met zekerheid, stond als slot-nummer het Te Deum van Diepenbrock. Het was de eerste maal dat ik het Te Deum hoorde. De uitvoering was ongeëvenaard. En te zeggen dat de muziek op mij een "overweldigenden indruk" maakte zou me nu nog grotesk ongeproportionneerd klinken. Ik was bevlogen van den adem van het zuiverste en vurigste enthousiasme. En je zult wel willen aannemen, hoop ik, dat mijn muzikale binnenste reacties volstrekt onafhankelijk bleven van alle persoonlijke verhoudingen en invloeden. Wat doet nu de dirigent Mengelberg, onmiddellijk na het slot-accoord van het Te Deum, zonder de menschen den tijd te laten een seconde te bekomen, zonder zelfs den klank normaal te laten weggalmen? Hij keert zich met zijn dirigeerstok naar de zaal en ternauwernood beseft men wat er gaande is, of het orchest heft fortissimo den Wilhelmus in, en Mengelberg dirigeert het koor van het publiek. Er had mij op dat moment niets kunnen overvallen wat mij heftiger aangreep, niets wat mij zoodanig buiten mezelf bracht. Alsof ik van mijn stoel gerukt werd sprong ik op, begon met mijn programma-boekje op den balcon-rand te hameren, zoo hard mogelijk schreeuwende: blasphemie, blasphemie! tot het eind van den Wilhelmus. Later heeft Diepenbrock, zooals hij dat doen kon, met een ondefinieerbaar ironisch wel-begrijpen, geglimlacht over dat ongebruikelijke woord blasphemie, maar tot mijn genoegen vond ik het in Van Dale. Want het geheele incident was mij onbewust geschied, was om zoo te zeggen buiten mij om gegaan. Ik had spontaan gereageerd op iets en wanneer ik spontaan reageer doe ik het altijd met de grootste felheid en zonder eenige consideratie; dat is mijn "fatum"! Het resultaat van dit dwaze, passionneele optreden was nihil, doch het ongeluk was gebeurd en onherstelbaar. Ik had mij "onmogelijk" gemaakt, wat ook deel vormt van mijn "fatum"! Het geval had eenige sensatie verwekt, want ik was te keer gegaan als een razende, en een samenloop van omstandigheden welke niemand voorzien kon, had mij in het kamp gestooten van Mengelbergs vijanden, onder wie ik geenszins thuis hoorde. Het ergste voor mij was dat niemand mij ongelijk kon geven. Wat ik gedaan had vloeide automatisch voort uit de eer der muziek, voor wie deze woorden ten minste beteekenis hebben. En daar ik geprotesteerd had in 't openbaar kon ik niet nalaten te protesteeren in de pers. Ik was toen medewerker van De Tijd en van De Amsterdammer. Hoe meer ik het geval rumineerde, hoe smadelijker mij het optreden van Mengelberg toescheen. Te moeten denken dat bij het begin van den Te Deum de partijen voor den Wilhelmus reeds klaar lagen op de lessenaars der orchestleden! Welk een berekening! Ik schreef dan ook enkele gezouten artikelen, die de wonde voor Mengelberg en zijn vrienden nog pijnlijker maakten, die den breuk nog verscherpten. Voor niets ter wereld zou ik dat verzwegen hebben. Zoo was ik helaas toen ik vier en twintig jaar was; zoo ben ik helaas waarschijnlijk nog. Toenmaals heb ik mij over de consequenties voor geen zier bekommerd, doch later, meer geneigd wordend tot nadenken, hebben de factoren van oorzaak en gevolg zich in mijn bewustzijn onwillekeurig gereconstrueerd. Het merkwaardigste is dat ik in dien tijd niet eens wist en nooit geweten heb dat er een Diepenbrock-feest zou plaats hebben, en merkwaardiger eigenlijk nog dat Diepenbrock mij nimmer over dat feest gesproken heeft. Veel later pas heb ik ervan gehoord en niet eens door hem. Toch heb ik hem kort daarna gezien en deze samenkomst heeft zelfs een onuitwischbaren indruk bij mij achtergelaten. Het was in de eerste dagen van September en hij had me rendez-vous gegeven op het perron van het station van Hilversum. Ik had me een ruime maand teruggetrokken uit de stad om te componeeren wat later mijn eerste symphonie zou worden. Daar ik per regel gehonoreerd werd aan mijn kranten, zat ik 's zomers geregeld op droog brood, en het geld voor dat musische uitstapje was mij bezorgd door tusschenkomst van Diepenbrock. Terwijl hij me op dat perron onder het gesis van locomotieven de hand drukte, zei hij: "Zoo, en hebt u gecomponeerd?" Ik antwoordde: "Ja, ik heb een beetje gecomponeerd." en daarmee was ons gesprek over dat onderwerp beëindigd. Maar wat ik mij het felst herinner is de soort van schrijnende, schielijke visie welke ik kreeg terwijl wij ons begroetten in zulke zeldzaam kleurlooze termen, de visie van een niet te beschrijven maar ongelooflijk scherpe scheidslijn tusschen ons en de ons omringende wereld. Ik heb nooit meer zoo sterk dezen indruk gekregen, en hij is me onvergetelijk.

Wat de onveranderlijke opschriften van mijn brieven betreft, Thea, moet ik bekennen dat ik tonutoe niets beters gevonden heb dan "Best". Het verheugt me dat je dat tenminste goedig vindt en lief! Weet echter dat wanneer ik schrijf Best voor je naam dat het woord voor mij evenveel strekking en beteekenis krijgt als wanneer ik lees op het fronton van een ouden of nieuwen tempel: Deo optimo maximo; zoo wil ik precies zeggen Theae optimae. Wanneer ik denk aan je onvergelijkelijke goedheid, wanneer ik bedenk dat van al mijne (onze) vrienden en kennissen jij de eenige bent om zich te vergewissen dat de oorlog mij in de hachelijkste der posities gebracht heeft, finantieel gesproken, en daaruit de conclusies te trekken die jij getrokken hebt (daartoe behoort eerstens een buitengewoon zeldzame verbeeldingskracht, tweedens een buitengewoon zeldzaam hart, derdens een buitengewone begaafdheid tot handelen) wanneer ik dat bedenk dan zoek ik tevergeefs iets beters, Fée merveilleuse, dan het Hollandsch van Theae optimae.

Tot spoedig hoop ik als einde van dezen zonnigen dag. Met al mijn dankbaarheid, liefste wenschen voor Joanna op het Sint Jansfeest (mocht ik vóór dien dag niet meer schrijven) een weldadig innerlijk vuur voor den duur van het gansche kalender-jaar, en hartelijke groeten van allen

uw toegenegen

Matthijs Vermeulen

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA