19420428 Matthijs Vermeulen aan Thea en Joanna Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea en Joanna Diepenbrock

Louveciennes, 28/29 april 1942

Louveciennes (S et O)

2 Rue de l'Etang

28 April 1942

Beste Thea, Beste Joanna,

Wat een lieve brieven heb je mij geschreven, Thea, de twee die hier aangekomen zijn op Vrijdag 24 en van morgen (deze tegelijk met den chèque). Van harte dank. Je tocht door den sneeuw naar het graf van je vader verdiende in zulke juiste woorden als de uwe bewaard te blijven op papier en ik ben blij daartoe de aanleiding geweest te zijn. Moet ik de "blauwe druifjes" die je hebt neergelegd, verstaan als bloemen of als vruchten? Bij het lezen had ik een "dionysischen" indruk en ik dacht direct aan Marsyas. Maar mijn vrouw zegt dat er bloemen bestaan die "blauwe druifjes" heeten. Hoe vreemd ook en hoe wonderlijk, (in den winter, in ons land, in onzen tijd) het begrip druif en wijnrank associeerde zich onmiddellijk voor me aan je woorden. Ik weet niet of ik me vergis (ik geloof van niet) doch ik heb Diepenbrock nimmer kunnen zien als "melancholicus" en telkens wanneer je hem zoo karakteriseert verbaast me dat eenigszins. Voor mij was hij (die mijn jeugd verheugd heeft) een extaticus, een seraphicus, een lyricus, maar niets is er in zijn muziek dat mij zou kunnen doen denken aan de beroemde "zwarte zon" van Albrecht Dürer. Ook niet in den gewonen omgang. In mijn herinnering staat hij altijd voor me als een opgewekt man die gaarne schertste, gaarne lachte, gaarne snaaksche verhalen vertelde, zelfs wanneer ze – voor dien tijd – een tikje gewaagd waren, die een buitengewone opmerkingsgave had (ironisch, sarcastisch, grimmig, geamuseerd) voor de kluchtigheden en ook voor de bekoringen zijner medemenschen. En als hij mij zijn reacties geuit heeft in dikwijls hekelenden, stekeligen, sardonischen trant, of als pessimist, hij uitte ze daarentegen nimmer op een hypochondrischen, depressieven toon. En toch hebben wij al die jaren samen steeds "op een droogje" gezeten. Pas veel later ontkurkte hij bij tijd en wijle een flesch wijn. Alles echter wat hij zei (hoe spijt het mij dat ik er geen nota van genomen heb) ging niet alleen nimmer (maar dan ook nimmer!) op een fond van grijs, van verdrotenheid, van triestheid, als ik zoo het melancholische mag preciseeren, doch steeds op een achtergrond van innerlijke vreugde, om zoo te zeggen van latente opgetogenheid, een soort van muzikalen gemoedsstaat, die elk oogenblik kon omslaan in werkelijke muziek. Hij had een manier van zijn wenkbrauwen op te trekken die waarlijk faunesk was. Het heugt me niet ooit gedeprimeerd van hem te zijn weggegaan en ik mag zeggen dat ik voor deprimeerende vibraties van medemenschen nochtans uiterst gevoelig ben. Integendeel. Hij heeft altijd tonisch, euphorisch op mij geageerd. Herinner u den Uil en de katten op hun tafelmat. Herinner u ook de voor Holland (en wellicht voor alle landen) ietwat extravagante, voyante stoffen (ik vind de nauwkeurige woorden niet maar ik zie ze voor me als iets bloesemends, paars, brons, violet) waarin hij zijn costumes liet maken en die hij zelf uitzocht. Neen, hoe ik ook zoek in dat verleden ik ontdek niets dat mij oorzaak zou kunnen zijn om hem melancholicus te noemen. Zeker, hij was niet gemeenzaam, niet toeschietelijk (ik bedoel schappelijk), nooit familiair, bijna nooit eigenlijk intiem, zeer schuchter op het schuwe af, zeldzaam sensitief en irriteerbaar. Doch dat kwam omdat hij steeds vertoefde op dat muzikale, min of meer extatische plan. Wanneer daaruit dikwijls een zekere zwijgzaamheid, een zekere teruggetrokkenheid voortvloeide, een air van afwezigheid, van ongenaakbaarheid, dit had geen verband met melancholie. Dat er vele omstandigheden waren welke hem melancholisch konden stemmen zal ik niet ontkennen maar dan geloof ik toch nog dat hij zulke impressies moduleerde naar zijn eigen aard. Denk aan het slot van Gysbreght! Denk aan zoovele andere situaties in zijn werken die hij melancholisch had kunnen intoneeren, doch die hij ophief tot dien toon welke altijd nauw verwant is aan de actieve vervoering. Wij zijn het erover eens hoop ik dat melancholie een gevoel is dat nog wel radieert, maar dat niet meer radieert in expansieven, in vitalen zin. Hij ontkende b.v. dat Hamlet muzikaal vertolkbaar was. Trouwens, een groot deel van zijn wezen was mystisch. En bestond er ooit een waar mysticus die melancholisch was? Vergeef me Thea dat ik weer met je strijd en misschien zonder redenen. Doch als ik zelf vroeger hetzelfde karakteristiek gebruikt mocht hebben (ik weet het niet meer) dan zou ik het heden met nadruk herroepen. Want wij doen Diepenbrock tekort met dit kwalificatief. Het diepe onderscheid tusschen "Die Nacht" welke je me gestuurd hebt en Der Abschied uit Das Lied von der Erde ligt, dunkt me, in het ontbreken van melancholie in Die Nacht. Diepenbrock legde hier voor 't laatst een stemming vast welke het menschdom nimmer meer zal kennen en die reeds gestoord begon te worden terwijl hij ze opteekende. De stemming, de notie van het groote, gelukkige zomeravondzwijgen. En behalve dat de muziek van Die Nacht mij zooveel dichterbij schijnt, zooveel meer met onszelf verstrengeld, zooveel tactieler, hoe het te zeggen? minder op een tooneel spelend, minder zich van een tolk bedienend dan Der Abschied, wat mij misschien het meest verrukt in Die Nacht is dat uit al die aarzelende, verstillende, sluimerende geruchten, die later weer opleven en aanwaaien, zoo helder onder het loover en tegelijk zoo luw, zoo streelend, dat er uit al die aan- en wegschemerende stemmen een zachte jubel opstijgt, een verborgen liefdeszang in gouden klanken waaruit ieder een resonans kan hooren van zijn eigen zeldzaamste en heerlijkste uren. De maan verschijnt hier aan den horizon als een verre plechtige hymne. Zoo heb ik Diepenbrock vroeger voornamelijk beschouwd, meen ik, in ieder geval zou ik hem zoo voortaan onveranderlijk willen beschouwen: als een hymnicus voor wien de dingen niet kunnen zijn zonder in allerlei tonen een natuurlijken Te Deum laudamus aan te heffen. En jou zelf op zijn graf, Thea, kan ik niet anders zien dan in diezelfde straling, in diezelfde kleur welke zoo moeilijk valt weer te geven met woorden, maar die tot in 't binnenste hart goed doet. (Het hoofd-thema van Die Nacht dat telkens als een refrein boven en over de andere motieven aanzweeft, doet me nog steeds denken aan een soort van "ite missa est", dat den dag besluit als een offer.)

29 April.

Nu ik dit overlees vrees ik weer overdreven te hebben en daarenboven te doen alsof ik je de les lees. Duizend verontschuldigingen voor deze onvrijwillige pretentie. Wanneer ik zoo breed over het niet-melancholische heb uitgeweid is het vooral wijl ik het van gewicht acht voor de verbreiding van een oeuvre dat er geen verwarring heerscht over de uitgangspunten; wijl hier deze verwarring (door velerlei schijn) zoo gemakkelijk ontstaan kan; en wijl verwarring, vooral hier, een goede "uitzending" geducht kan schaden. Maar "wij, mannen" hebben slechts weinig vaardigheid.

Ik benijd immer het gemak, de lichtvoetigheid waarmee jij, en mijn vrouw, de dingen formuleeren, definieeren, je een opinie vormen, een standpunt kiezen. Ook je moeder bezat die faculteit in hooge mate. Als ik bedenk hoe dikwijls "wij, mannen", en hoe lang, zitten te aarzelen, te piekeren, te wikken en te wegen, waar jullie met een zwaai overheen vliegen, en dat om gewoonlijk tot hetzelfde resultaat te geraken, dan vraag ik me steeds met verwondering tot waar jullie zouden kunnen stijgen en wat jullie eigenlijk weerhoudt om je vlucht te nemen. Voor mij is dat een werkelijk raadsel. Maar ik vermoed dat hier de oorzaak schuilt van alle antagonisme tusschen vrouw en man. De vrouw is van nature oneindig veel begaafder dan de man. Zij ziet veel verder en veel gemakkelijker vooruit. Het moet haar geweldig ergeren dat wij zoo traag, zoo log zijn en het kan niet anders of zij moet ons als een soort stumpers beschouwen op wie zij zonder veel complaisance neerblikken. Het moet haar even geweldig hinderen ons altijd te moeten meesleuren en meetrekken als huilerige kinderen die om 't minste en geringste jengelen en slechts willen marcheeren na een goede oorveeg te hebben gekregen. Dat is onvermijdelijk. En ik vraag me ook dikwijls: tot waar zou een man kunnen stijgen als het in zijn macht lag om geheel spontaan, zonder inspanning en zonder duizeling de veel begaafder vrouw in haar stoute vluchten te volgen. Maar dat schijnt onmogelijk. Ik ken er tenminste geen voorbeeld van. "Wij, mannen" schijnen onderworpen en gebonden te zijn aan een aparte zwaartekracht. Het is nog geen vrouw gelukt den man daarvan te ontboeien. Volgde zij tot dusverre een verkeerd systeem? Zal het haar lukken in de toekomst? Ik weet er niets van. Doch men kan altijd droomen over den fantastischen sprong welken de wereld zou doen als deze harmonie verwezenlijkt zou worden. Zou het een goed zijn of een nieuw kwaad? Is het après tout niet beter dat wij voortwaarts sukkelen (hoewel 't effect op 't oogenblik niet schitterend schijkt) dan voortwaarts hollen? Wie zal 't zeggen? (Altijd die onbeslotenheid, die twijfel, dat gewurm!) Je ziet dat ik het probleem objectief stel en onpartijdig. Wat mij zeer getroffen heeft: te lezen dat je moeder nog tijdens het leven van je vader tot het Katholicisme is overgegaan. Ik heb steeds gedacht dat dit veel later gebeurd is. Hoe merkwaardig! Het zou als voorbeeld kunnen gelden welke geheime en onverwachte wendingen, omwegen de "Genade" kiest wanneer ze eenmaal wil werken. Uw moeder moet mijn vraag aan je ("en is zij het gebleven?") wel stupide en bot gevonden hebben. Maar ik had uw moeder nooit anders gekend dan als de fierste der Sicambers. Zonder mijn domheid te vergoelijken verklaart haar dit tenminste. Dat uw vaders uiting "nu kan ik gerust sterven" sloeg op uw opvoeding is onmogelijk, wijl hij niet vergeten kon hebben dat uw moeder u als kleine kinderen de catechismus-lessen even consciëntieus surveilleerde als de andere lessen (wanneer mijn herinnering op dit punt ten minste juist is.) Wat mij echter verrast is dat het religieuse vraagstuk een zoo belangrijke plaats in zijn denken innam. In zijn voelen dat wist ik. In al onze gesprekken echter, en daarvan ben ik geheel zeker, heeft hij nooit één woord met mij gewisseld over de religieuse kwestie of over de vraag naar God. Zonderling is dat ik uw vader voor 't eerst, en langen tijd, alleen gezien heb in de kerk en zonder dat we elkaar kenden. Ik ging toen naar de Vondel-kerk (dat was omstreeks 1907-08) en plaatste mij geregeld aan het wijwatervat rechts van het altaar, bij de deur. De Obrecht-kerk was toen nog niet gebouwd, meen ik, of viel niet in zijn smaak. In ieder geval zag ik hem steeds aan het linker wijwatervat van de Vondel-kerk. Hij kwam steeds te laat, ongeveer bij het evangelie! En als mijn plaats mij als soort van out-law gansch natuurlijk en gewoon leek, de zijne daarentegen, aan het andere wijwatervat (even furtief, even effacé) heeft mij voortdurend gepuzzld. Doch nimmer hebben wij daarover gesproken! Wanneer ik aan zijn sterfbed denk moet ik me wel afvragen hoe het mijne zal zijn. Even sereen? Wanneer ik een perzik-takje in bloei zie (met een verscheurd hart) wanneer ik den geur opsnuif die van den grond opdoomt na een zoelen lente-regen (wat nog heftiger beweegt dan alle muziek) wanneer ik uit de verte versch gemaaid gras ruik of het wierook-aroom van brandend berkenhout, dan merk ik hoe ik nog aan de aarde gehecht ben en hoe hard mij het afscheid zou vallen.

Doch ik zie mijn papier krimpen en moet me haasten om jullie te bedanken voor de nieuwe uitvoering van "La Veille". Merci voor de citaten uit de kritieken. Het groote plezier dat ze me deden voel ik uitsluitend om jullie. Het zou dood-jammer zijn als de meening der kritiek anders was, doch aan het lied zelf zou dat niets veranderen. Wat zou ik het echter gaarne van jullie hooren! (Maar dan in een hoekje, achter een gordijn, onder het podium: aan het rechter wijwatervat!) A propos: Gaat de stem van Joanna tot de diepe g? Dan zou het de moeite waard zijn, zoodra de mogelijkheid bestaat, om de origineele versie te probeeren waarin het geheele eerste deel (tot aan où le sort s'accomplit) bij gedeelten een kwint lager genoteerd is. Ik heb dit met tegenzin gewijzigd daar de zangeressen immer begonnen met protesteeren tegen die "diepe g", hoewel zij ze slechts even hebben aan te fluisteren. In de origineele lezing is niet enkel de harmonische eenheid beter bewaard, maar ook het langzame, geleidelijke opleven der stem uit haar eigen stilte, uit haar eigen benauwenis, wordt veel psychologischer en tegelijk indrukwekkender. Daar staat tegenover dat, als de tweede versie den indruk teweegbrengt die je beschrijft, zij ook goed is en dat ik tevreden erover kan zijn. Het spreekt van zelf dat ik je de Ave's stuur zoodra ik er een kans toe bespeur. Toen ik het exemplaar doorkeek dat Linet Peugeot mee wil nemen naar Mexico hebben zij me toch nog een zekere interieure voldoening gegeven, ook het eerste. Maar de expressie lijkt me schrijnend, vlijmend, doorborend, op het smartelijke af. Ik kan er niets aan doen. Ik maak de dingen altijd anders dan ik ze zelf zou wenschen. Ik twijfel er echter niet aan of ze tot de ziel zullen spreken in die uitdrukking, welke, als ik ze typeeren moest, ik wellicht zou mogen vergelijken met de klanken die vloeiden van Orpheus' lippen toen zijn hoofd reeds op het water dobberde. Doch wel twijfel ik eraan of ik ooit de vertolkers zal vinden, die bereid zijn om met sympathie, geduld, volharding, belangstelling, de moeilijkheden te trotseeren, te overwinnen welke ik ondanks mijzelf dikwijls in den weg moet leggen, vertolkers die niettegenstaande alle zwarigheden zich met zooveel liefde in deze muziek willen inleven dat zij zich er met volle liefde in kunnen uitleven. Behalve een enorm préjugé favorable veronderstelt dit een aantal voorwaarden welke zoo goed als niet meer te verkrijgen zijn in een tijd waar ieder overladen is met eigen zorgen en bekommernissen en waarin zoo weinigen eenige nieuwsgierigheid toonen naar de ziel der dingen. Vooral een uitvoering van het tweede Ave behoort tot zulke onwaarschijnlijkheden. Ik heb daar getracht te zingen zooals ik zingen zou ontdaan van alle aardsche banden, alleen nog geschakeld aan dit leven door de rozenkransen der herinneringen. Wanneer ik het je kan doen bereiken zal ik je nog wel andere aanduidingen geven. Tot zoolang ben ik toch tevreden dat die drie Ave's bestaan en zou wel willen weten wat de "gratia plena" ervan denkt, onder wier praesidium ik mij eertijds zoo dikwijls gesteld heb!

Dat ik niet aanstonds naar de pen gegrepen heb na je eerste brief van Paaschdag komt alleen wijl ik in een passage was welke mij sinds twee weken niet wilde loslaten en waarvan ik niet kon losraken. Maandag-avond had ik nog twee maten te maken, en ik zei me: "Alles zou harmonisch zijn wanneer ik dat van avond nog zou kunnen beëindigen, want morgen vroeg komt er een brief van Thea en dan zou ik tenminste direct kunnen antwoorden." In den nacht echter overviel mij een dier vermoeidheden waartegen niets bestand is. Je brief was er den volgenden ochtend en hoewel ik mij voelde als de hongerige en dorstige ezel van den philosooph tusschen een emmer water en een emmer haver, haalde hij mij geenszins uit de stemming. Maar pas gistermiddag kon ik mij aan deze zooveel bekorender taak zetten. Curieus, sinds enkele weken zie ik er soms tegen op om te "componeeren". Ik ben aan de "finale" van het eerste deel, dat een geheele symphonie op zich zelf geworden is. Het gaat me alsof ik moeite heb om de vaart die totnutoe geen seconde onderbroken werd, te ondersteunen, vol te houden. Ik voel mij als een renner in 't zicht van den eindpaal. Het is een werk waarvan ik nog niet weet wat te denken. Het heeft ongewone concentratie van me geëischt en een ongehoorde inspanning om de vaart telkens weer op te nemen en te hernieuwen. Voor 't eerst van mijn leven heb ik gewerkt zonder eenig verband met de zichtbare wereld, zonder eenige dramatiek, zonder eenige poëtiek, zonder eenige hulp dus van extra/buiten-muzikale invloeden. Het is dus louter beweging van zingende, expressieve factoren en elementen. Je hebt er geen idee van (maar misschien onderschat ik je!) hoe zeldzaam, hoe uiterst schaarsch dit in de goede muziek geworden is na de groote fuges van Bach en na sommige finales van Mozart. Echte, dynamische beweging zonder andere aanknoopings-punten dan muzikale en die behalve de tourbillonneerende beweging van Bach en Mozart tevens de magnetische geladenheid zou moeten bezitten van Wagner b.v., muziek die je werkelijk en rusteloos zou omvangen als de zee van Baudelaire: "La musique souvent me prend comme une mer!" Van experiment gesproken, lijkt je dat niet een experiment om te wagen? Moge het slagen. Want in de kunst tellen en gelden alleen de experimenten die slagen. Ik heb nog vele verlangens doch het eenige wat mij grondig inpalmt is dit werk te beëindigen.

Dezer dagen las ik voor 't eerst de "stukjes" over die je indertijd over je bezoek hier geschreven hebt. Ik vind ze uitstekend en misschien (als je 't goed vindt) kom ik er nog op terug in een volgenden brief. Tot mijn verwondering zag ik dat, bij andere onderwerpen, welke wij sinds aanroerden, daar ook reeds de naam Biedermeier voorkwam! Hoewel we een gansch verschillend begrip schijnen te hebben over Biedermeierei (wat duidelijk blijkt uit je laatste uiteenzetting) schijnen wij het daarover roerend eens te zijn, tenminste in de hoofdzaak. Doch alvorens daarover verder te gaan, zeg mij wie of wat Stifter is. Ik heb hem vergeefs gezocht in al mijn dictionnaires. Hoe kan ik zoo onactueel zijn! En reken jij Mörike onder de Biedermeiers? Ja misschien, gecomponeerd door een Schumanniaan, doch ik kan Mörike slechts zien in de metamorphose van Hugo Wolf, dien ik als een anti-Biedermaier beschouw.

Merci voor de Lydische Nacht, die ik nog niet geheel met de noodige aandacht heb kunnen lezen. Tot later dus. Verneem hierbij dat ik ook Electra niet heb! Als ik dit van je ontvang zal ik het als een teeken beschouwen dat deze brief je bereikte. Ik zend je hierbij, met mijn oneindige dankbaarheid (bedank ook Bertus) denkbeeldig een bundel seringen en een bos lelietjes van dale uit onzen tuin welke ik je vast in werkelijkheid zou sturen als de omstandigheden het toelieten. Tot spoedig hoop ik (wat zijn drie weken lang onder dezen gezichtshoek!) en met veel hartelijks van allen,

je toegenegen

Matthijs Vermeulen

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA