19411027 Thea Diepenbrock aan Matthijs Vermeulen

Thea Diepenbrock

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 17-27 oktober 1941

17-27 October 1941

Beste Mijnheer Vermeulen,

De mooie herfst is voorbij (hier tenminste) en nu zult u intusschen wel bedacht hebben dat uw vergelijking met 1908, sociaal gesproken, heelemaàl niet opgaat: had u toen 4 kinderen, die u groot gebracht had? Een van mijn goede eigenschappen is dat ik het plagen niet laten kan – nu bent u eens aan de beurt! En de eenzaamheid? daar weten we alles van, die is nu eenmaal de proef op de som van het kunstenaarsschap. Je moet alles koopen in het leven, geen Salutations à Notre Dame zonder eenzaamheid...

Wat zeggen de kinderen wel van het resultaat van hun "bestellingen"? Zij hadden zich misschien iets voor de kerk voorgesteld. Hebt u iemand om ze te zingen? Het spreekt vanzelf dat wij er erg verlangend naar zijn ze te leeren kennen. Na uw beschrijving kunnen we ons wel éenige voorstelling ervan maken, van hun verhouding onderling, van den omvang, iets van de kleur van elk en misschièn iets van het tempo zelfs, hoewel dat toch maar een gek raden is eigenlijk – maar als je de melodie niet gezien of gehoord hebt, is die voorstelling toch maar vaag.

Uw belangstelling voor en uw vertrouwen in mijn aandeel in de biographie heeft mij goed gedaan. Het is niet zoo dat ìk naar een medewerker heb gezocht. Reeser was de biograaph, door de opdracht die hij gekregen had en zijn eigen plannen in die richting en ik was de medewerker. En dat is met eenige varianten in de constellatie zoo gebleven. Kort geleden hebben we juist nogal een ingrijpend gesprek gehad, waarin hij mij vroeg al het materiaal waarover ik beschik chronologisch te ordenen en hem te zenden. Ik schrok eerst, want ik dacht dat hij geen vertrouwen had in de keus, die uit dat materiaal gedaan moet worden, wat mi`jn werk zou zijn. Maar het bleek anders bedoeld: hij was tot het inzicht gekomen dat hij niet over de muziek kon schrijven zonder den auteur te kènnen. Ik had daar nooit aan gedacht, ik denk ook daarom niet, omdat hij altijd heel zelfverzekerd was over de analyses die hij zou gaan schrijven. Maar ik geloof dat dit een stap vooruit en dat hij toch tot Pappie's muziek beter zal kunnen doordringen als hij allerlei andere uitingen van zijn geest zal hebben leeren kennen. Hij weet namelijk niets van hem dan wat wij hem in den loop der jaren wel eens hebben verteld. Ik schreef u, geloof ik, al dat zijn bedoeling is uitsluitend citaten te geven (uit brieven, artikelen, recensies van anderen), voorzien van een kort commentaar. Dat zal heel boeiend worden, en ik ben het ook daarom in dit opzicht met hem eens, omdat ik niet in staat zou zijn – en hij nog veel minder (en wie wel?) – om een boek te schrijven zooals u dat bedoelt. Er nog van afgezien of mijn verstandelijke gaven toereikend zouden zijn, mis ik het litteraire talent, dat voor zoo'n boek een vereischte zou zijn – en ik heb bovendien nooit tijd! Het heele vorige seizoen heb ik geen letter kunnen schrijven. Je kunt niet een boek schrijven in verloren kwartiertjes, maar een keus doen uit citaten en daar een aaneengesloten geheel van maken, dat gaat wel in zulke korte oogenblikken, vooral omdat ik door de jaren heen met het materiaal al vertrouwd ben geraakt. – Zoodoende zal er ook geen hoofdstuk komen over "D's breuk met het moderne leven". Ik geloof niet dat er van een breuk op een bepaald tijdstip sprake kan zijn, ik geloof dat het heel geleidelijk gegaan is en zou zelfs het woord breuk niet willen gebruiken. Als ik het wel heb, moet die "adhaesie aan de komende eeuw" gezien worden als een adhaesie aan zijn eigen aspiraties, aan zijn eigen verlangen naar een leven, dat van hooge dingen doortrokken zou zijn, waartoe de muziek zou moeten meewerken. Er was een geweldige woeling in den man die de Mis componeerde, en de verwachting van schoonheid, die daarvan een deel uitmaakte, projecteerde hij in de komende eeuw, hierin gevoed en ondersteund door al zijn vrienden, die leefden in de zelf-exaltatie van den Nieuwen Gids. Het was zoo dood geweest in Holland en nu waren er zoovelen die iets moois met zich omdroegen – geen wonder dat zij door elkaar in een soort vervoering geraakten.

Maar bij Pappie heeft die staat van opwinding al heel gauw plaats gemaakt voor een veel nuchterder kijk op de dingen. In '93 of '94 schrijft hij al aan Tideman, dat hij heelemaal niet meer met zoo'n verlangen uitziet naar de komende eeuw, waarvoor hij vroeger zoo kon warmloopen. Hij voelde zich toen al eenzaam. Den N.G. vond hij volkomen doodgeloopen: in '94 schreef hij aan Kloos dat hij er niets meer mee te maken wou hebben. De steun in Derkinderen gevonden werd met de jaren steeds minder door de ziekelijken aanleg van D.K. en zijn afgesloten-zijn van de wereld. In het Katholieke kamp was verder niemand aan wien hij wat had. Gelukkig heeft hij toen Smulders leeren kennen, iemand om zich aan vast te klampen. (Gedurende een jaar of 5 is die vriendschap heel vruchtbaar geweest; daarna is het beetje bloei dat er in Smulders was, verschrompeld, terwijl Pappie's gaven zich steeds meer ontwikkelden –het gevolg was dat zij al verder van elkaar af kwamen te staan. Toen pas, omstreeks Pappie's 40ste jaar, kreeg hij goede uitvoeringen van zijn eigen werk te hooren. Die tien jaren ongeveer, dat Mengelberg zich voor Pappie interesseerde en elk nieuw werk van hem uitvoerde, hebben een zekere bloei beteekend, temeer omdat het ook de jaren waren dat Gustav in het land kwam. Die periode heeft geculmineerd in de feestviering van 1912. Als ik u goed begrijp, is het niet lang daarna dat u die breuk situeert. Hij genoot toen een zekere populariteit en hij had toen van de gelegenheid gebruik kunnen maken meer invloed te krijgen. Een minder melancholische natuur zou die gelegenheid benut hebben, maar hij was nu eenmaal een melacholicus; en eigenlijk had hij gelijk, geloof ik, met naar buiten niets te willen ondernemen, want het zou toch allemaal niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn geweest. Hij wàs volkomen alleen en het zou nutteloos geweest zijn ergens contact of medewerking te zoeken. De Tachtigers "leefden" niet meer, een nieuwe generatie dichters bestond nog niet. Met de schilders was het het zelfde geval. Zweers en Wagenaar hadden met Pappie zoo goed als niets gemeen. Mengelberg was bezig te veramerikaniseeren voordat hij nog de zee over was geweest. Gustav was dood. De muziek van Debussy vereerde Pappie en had hij lief, den auteur kende hij nièt. Leerlingen had hij niet: Hol had zich met hem gebrouilleerd, Verhagen was ontvankelijk, maar in alle opzichten een dilettant, Matthijs Vermeulen, een jonge man van 25 jaar, die zijn eigen moeilijkheden had, was zoowat de eenige met wien hij praten kon. Het directeurschap van het Conservatorium was op laffe wijze getorpedeerd, wat ook alweer bewijst dat de menschen die het daar te zeggen hadden in hem niet den man zagen die richting zou moeten geven aan onze cultuur. Hoe zou het dan voor Pappie nog attractie hebben moeten gehad hebben om met die stupide wereld contact te zoeken? Het rationalisme nam altijd nog toe, de marxistische beginselen, die hij haatte, zegevierden aan alle kanten. Moest hij dan heel alleen daartegen te velde trekken? En toen is, niet te vergeten, de oorlog nog gekomen, die hem gebroken heeft. Zich bepaald afgesloten van het moderne leven heeft hij niet: een quartet van Milhaud is in zijn bibliotheek, met Schönberg wandelde hij plezierig in het Vondelpark, hij ging ook niet oude boeken overlezen en zich daarin inspinnen, neen hij bleef zich interesseeren voor nieuwe publicaties. Veel contact met het orkest zocht hij niet meer, niet uit principiëele teruggetrokkenheid, maar omdat Mengelberg niet meer was die hij geweest was en omdat Pappie omstreeks zijn 50ste jaar het gevoel had het instrumenteeren nu wel geleerd te hebben en het dus niet meer, zooals in de jaren daarvoor, van zooveel belang voor hem was om zijn eigen werken te hooren of ze zelf te dirigeeren.

Ik zou dus niet van een breuk willen spreken, maar van een geleidelijk-aan grooter wordende isolatie (door het afvallen eerst van den N.G., toen van Smulders en tenslotte van Gustav en Mengelberg), die te verbreken of te trachten te verbreken niet reëel geweest zou zijn. Ziet u dit alles anders? Voor u, die toèn de woelingen met u meedroeg, die mijn Pappie in den Bosch had doorleefd, en die dus toen geneigd was adhaesie te betuigen aan den modernen tijd, moet het soms wel lastig geweest zijn! Graag zal ik nog eens van u hooren wat u hiervan vindt. Om de kans te krijgen tot zulk een gedachtenwisseling heb ik u in April '39 een briefje geschreven! Dat hebt u toch wel begrepen? Die stukjes schrijverij over uw symphonie was alleen maar omdat ik me niet zoomaar een reisje naar Parijs kon permitteeren. Dat Et ego slaat, dunkt me, uitsluitend op het ontberen van eenige steun in de jeugd. Viotta, die toentertijd de eenige musicus van waarde was, heeft het contact met dien jongen, tamelijk uitzonderlijken Wagneriaan niet gewild. Daardoor is Pappie zoo hulpeloos alleen geweest.

Wat u schrijft over de angst voor de emotie, begrijp ik heel goed. Dat was ook wat ik laatst bedoelde te zeggen toen ik het had over dien avond op de Heerengracht. Het pantser van journalist, dat jarenlang zijn diensten had bewezen, had tijdens die dagen in Amsterdam toch gaatjes gekregen, waardoor de emotie was binnengeglipt en dat deed u hakkelen. Zoo dacht ik tenminste.

Matthieu Wiegman kennen wij niet persoonlijk, maar er is misschien wel eens gelegenheid hem uw woorden over te brengen. Hij woont in Bergen en schildert en hij heeft een dochter, die alweer getrouwd is met een schilder, Piet Worm. Ontzettend veel heeft Wiegman te danken aan den pastoor van de kerk in de Obrechtstraat, die hem enorme opdrachten heeft gegeven. Zoo iemand hebt u gemist helaas.

Hoe is het met den leerling en de koralen van Bach – gaat dat nog zijn gang? Ik heb vandaag mijn 6 leerlingen in Laren afgewerkt en tusschendoor de fietserijen door den regen, ik ga maar eens ter ruste; Joanna is in Utrecht voor een concert.

Met onze hartelijke groeten,

uwe Thea

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA