19621112 Marc Rozelaar aan Matthijs Vermeulen en Thea Vermeulen-Diepenbrock

Marc Rozelaar

aan

Matthijs Vermeulen en Thea Vermeulen-Diepenbrock

Jeruzalem, 12 november 1962

12 november 1962

Beste Thea, zeer geachte Heer Vermeulen,

Ik mag misschien beginnen, me tot jou te wenden, Thea, in de hoop, dat je mij het tutoyeren niet kwalijk neemt: we worden allemaal wel een dagje ouder, maar op de een of andere wijze valt het toch moeilijk, vrienden en bekenden uit de studententijd met "U" aan te spreken.

Zoals je ziet, en misschien ook wel wist, schrijf ik uit Jeruzalem, waar ik met mijn gezin (we hebben drie zonen van 20, 17 en 16 jaar) nu al ruim tien jaar woon. Het bestek van deze brief is te kort, om een uitvoerig verslag te geven van alle bezigheden en wederwaardigheden, die in die tijd de revue hebben gepasseerd. Alleen het volgende zij vermeld:

Daar het aanvankelijk bleek, dat met de Oude Talen hier weinig was te beginnen, heb ik mijn werk voor het grootste deel naar de muziek overgeschakeld, en heb als cellist en violdigambist, al spelende en les gevende (ik werd al gauw als leraar voor cello benoemd aan de Academie voor Muziek hier ter stede) in ons onderhoud voorzien. Bovendien kwam daar in de laatste zeven jaar eerst een halve en later een hele baan bij als bibliothecaris van de muziekafdeling der Universiteitsbibliotheek. Gedurende al die tijd heb ik weliswaar de Oude Talen niet verwaarloosd en hier en daar ook enkele Hebreeuwse publicaties over klassieke onderwerpen "gepleegd", maar zonder enige bijgedachte, dat dit ooit nog tot verandering van werkkring zou kunnen leiden.

Tot mijn verbazing – en ik mag ook wel zeggen: tot mijn vreugde – ontving ik echter in de zomer van het vorige jaar, toen ik met mijn vrouw en twee van onze jongens door Griekenland trokken, in Athene een brief, waarin ik werd aangezocht om les te geven in de klassieke talen (vooral Latijn) aan de jonge, maar zich zeer snel ontwikkelende universiteit van Tel-Aviv. Na dit een jaar lang zonder officiële status gedaan te hebben, ben ik met ingang van dit academisch jaar als lector aan genoemde universiteit verbonden en heb dus alle taken te vervullen, die daarbij horen.

Nu heb ik voor het tweede semester van dit jaar opgegeven, een college van twee uur in de week te zullen geven over de Epistulae Morales van Seneca, die mij al als schooljongen hebben geboeid en waarmee ik mij sindsdien met voorliefde heb bezig gehouden. Sinds jaar en dag is mij bekend, dat jouw Vader, Thea, voor wie ik sinds mijn studententijd, toen zijn boek "Ommegangen" zo veel als een openbaring voor mij was, steeds een grote bewondering heb gehad, als ik mij niet vergis summa cum laude, gepromoveerd is op een proefschrift over Seneca.

De merkwaardig gespleten figuur van deze dichter-philosoof wordt zo uiteenlopend beoordeeld, dat ik – ook al heb ik wel een eigen mening over hem – het uitermate op prijs zou stellen, te zien, wat jouw Vader over hem dacht, resp. schreef.

Zou er een mogelijkheid bestaan dat ik, zo er geen exemplaar van het proefschrift meer over is, voor enige tijd (laten we zeggen: maximum twee maanden) inzage zou kunnen krijgen van het boek dat in bezit is, hetzij van jou, hetzij van Joanna, of van een van jullie vrienden? Ik zou daar bijzonder dankbaar voor zijn.

Dit is het, wat ik jou, Thea, wilde vragen. Maar tegelijkertijd wil ik de gelegenheid te baat nemen, om U, geachte heer Vermeulen, die ik helaas niet persoonlijk ken, te zeggen, hoezeer ik genoten heb van de lectuur van Uw opstellen, gebundeld in het boek "De muziek dat wonder", dat mijn vrouw kortgeleden uit Holland voor me meebracht. Er zijn opstellen bij, die ik twee, drie en meer malen gelezen heb, zoals bijv. die over "Het mirakel Mozart", "De realiteit van Bach", "Zijn erfdeel" (met de bijna Bacchantische slotzin), "Situatie van Beethoven" (welk opstel mij weer herinnerde aan zijn onovertroffen voorganger in Uw "Klankbord"), de beide opstellen over Diepenbrock, "Dat is bedreigd" en andere meer.

Als leraar heb ik altijd gezegd, dat het aantal kinderen in een klas, waarvoor men meent, dat het de moeite waard is les te geven, vermeerderd moet worden met een als x aan te duiden ander aantal, waardoor die kinderen worden omvat, van wie wij niet weten, dat zij minstens zo zeer door ons werden "aangesproken" als de anderen, van wie wij menen, dat dit het geval is.

Hetzelfde geldt voor een schrijver. Er zijn altijd meer mensen, die van het door hem geschrevene profiteren of genieten, dan diegenen, van wie een reactie hem bereikt. Tot hen, die altijd gevonden hebben, dat het mooiste en treffendste, dat in Nederland over muziek geschreven werd, van Uw hand afkomstig was en die U dit nimmer hebben doen weten, hoorde ook ik. Nog altijd staat Uw "Klankbord", "De eene Grondtoon" en de "Princiepen der Europese Muziek" in mijn boekenkast naast de "Ommegangen", en ik geloof, dat ik ternauwernood een muziekcritiek van U, die in "De Groene" verschenen is, verzuimd heb te lezen.

Het was mij eigenlijk al sinds jaren een behoefte, U dit te zeggen. Soms, tijdens de lectuur van een van Uw opstellen, deed ik het boek dicht en kwam een golf van mededeelzaamheid in mij op, die, wanneer hij zich op dat moment op papier had kunnen uiten, een nog veel langere brief te voorschijn had gebracht, dan deze nu al is geworden. Uw vervoering over het wonder des bestaans, die telkens en telkens weer in wat U schrijft tot uitdrukking komt, vindt bij mij diepe weerklank; om van de instemming, waarmee ik in de meeste gevallen Uw oordeel over muziek en musici lees en heb gelezen, nog maar te zwijgen.

Ik wil het hierbij laten. Met mijn beste wensen en hartelijke groeten voor jou, Thea, en voor U, mijnheer Vermeulen, teken ik

Marc Rozelaar

P.S. Mijn beste wensen ook voor Joanna

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA