19591224 G. van Linden van den Heuvel aan Matthijs Vermeulen

G. van Linden van den Heuvel

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 24 december 1959

A'dam 24-12-59

Baarsjesweg 184 III

Zeer geachte kameraad Vermeulen (in m'n gedachten noem ik U altijd − sinds Uw rede tegen de atoombom hier in de Beurs − kameraad, dus dat schrijf ik nu ook maar):

Ik kan niet laten, U eens even te schrijven hoezeer ik genoten heb van Uw 6e Symfonie − tot mijn eigen verbazing, eerlijk gezegd, want ik had verwacht dat ik er niet veel van begrijpen zou. Natuurlijk is er veel wat ik inderdaad niet heb begrepen, want ik weet niets van muziektheorie, ga alleen vrij veel naar concerten en speel wat viool, en bovendien: wat is nu één keer horen! Maar ik was zo gegrepen door het geheel: die machtige opmars naar een lichte toekomst, dat geweldige vertrouwen van die optrekkende massa − of van de mensheid − waarin ieder zijn eigen melodie uitzong en alles tezamen één groot feest van vreugdevolle mensen werd. Ik werd er helemaal gelukkig van en dank U hiervoor uit de grond van m'n hart.

Van het USO was het een grote prestatie en het was fijn dat Paul Hupperts doorgezet heeft, dat de symfonie ook in A'dam werd gespeeld. Zou het nu bij deze twee uitvoeringen blijven? en misschien gramofoonopnamen?

Ik heb veel gehad aan Uw stuk in de Groene. − Dat U van Beinum zo goed hebt gekend, wist ik niet. Ik was een groot bewonderaarster van hem èn als dirigent èn als mens. Ik heb éénmaal een gesprek met hem gehad en dat zal ik nooit vergeten. Dat was even nadat hij van zijn Russische concertreis was teruggekomen. Ik belde hem toen zomaar op, om hem te vragen of hij me wat van zijn indrukken daar wilde vertellen. En hoewel we volkomen vreemden voor elkaar waren was hij direct bereid en vroeg me, naar het concertgebouw te komen onder of na de repetitie. We hadden toen 'n erg interessant gesprek, en dat hij het ook prettig had gevonden, bewees wel zijn aansporing aan het eind ervan om het eens te herhalen. Daar is toen niets van gekomen − hoofdzakelijk, vrees ik, omdat hij bij het afscheidnemen tot de ontdekking kwam, dat mijn man toen directeur was van het Volksdagblad en hij dus bang was, dat van ons gesprek (waarin hij zeer spontaan had verteld) iets in de openbaarheid zou komen. Ik heb hem wel naar waarheid verzekerd dat ik aan niemand − zelfs aan mijn man niet − iets over ons gesprek had verteld of zou vertellen. Maar ik kon toch wel begrijpen, dat hij er liever niet mee doorging.

U nogmaals dankend voor wat U gegeven hebt,

met de meeste hoogachting,

G. v. Linden v.d. Heuvel