19570405 Matthijs Vermeulen aan J.J. van der Linden-briefenconcept

Matthijs Vermeulen

aan

J.J. van der Linden

Laren, 5 april 1957

Laren (N.H.)

Drift 31

5 April 1957

Jan,

Reeds de namen der steden en eilanden waarheen je mij nodigt, werken als een hoofdstuk voor de Bekoringen van Sint Antonius de kluizenaar, en enkel al op het horen van zulke toverklanken zou ik heel wat willen verzuimen en verzaken.

Bij die magie voegt zich dan de langdurige omgang met de vriend wie ik sinds geruime tijd gewenst heb naderbij en ongestoord te ontmoeten.

En niet ten laatste maar ten eerste had ik moeten noemen mijn verlangen om deze onovertroffen vriend, die mij uitkiest tot zijn gezel, het eenvoudig genoegen te doen van een spontane en enthousiaste instemming, waartoe niet alleen mijn hart me aanspoort, doch welke ik ook schuldig ben uit dank voor de lieve gedachte die bij hem opkwam.

Je ziet, Jan, in hoe diepe verlegenheid je verlokkelijke, je prachtige voorstel mij gebracht heeft.

Want ik kan het niet aannemen. Ik màg het niet aannemen. Kijk eens. Tien jaar heb ik ernaar gehaakt om nog wat muziek te maken, en eindelijk ben ik wederom aan de slag. De ingeving die mij drijft is zó inactueel, zo in strijd met de tijdgeest (hoewel geenszins buiten de wereld, – integendeel) dat mijn binnenste elk contact met de werkelijkheid der feiten zeer moeilijk verdraagt, en dat ik liefst ergens geheel alleen in een woestijn zou zitten tot het werk af is en tot de tegenspraak der omstandigheden geen hindernis meer oplevert. Ik ben nu tot één derde gevorderd van mijn taak, en wanneer de arbeid regelmatig voortgaat denk ik omstreeks Augustus het tweede derde te bereiken. Mijn onderwerp is zo precair, het hangt aan zo ijle zijden draadjes, dat ik die geleidelijke wording niet durf onderbreken. Het is natuurlijk mogelijk dat op onze reis mij alles vreugdig en gemakkelijk zou toevloeien waar ik nu om moet worstelen. Maar ook het tegenovergestelde kan gebeuren. De gevoelens die mij bezig houden kunnen vervluchtigen en onherroepelijk verdwijnen. Ik mag dat niet riskeren.

Het ongeluk is dat zulk een onwaardeerbare buitenkans, wanneer men ze éénmaal afwijst, gewoonlijk niet terugkeert. Ik moet er dat op wagen.

Vergeef me deze inbreuk op de vriendschap. Ik weet het: alles is geoorloofd, – behalve dat!

Thea laat je hartelijk groeten. Zij is steeds nog minus, ondanks de drankjes van Gribbeling. De anemie genas, maar de bloeddruk daalde opnieuw aanzienlijk, na een aanvankelijke verbetering. Odilia juicht en danst.

Kom eens aansuizen als het briesje van Jehova in een van deze paradijselijke avonden. Ik heb nog het halve flesje Benedictine en een hele fles van Sinterklaas.

Met ware dankbaarheid,

je

Matthijs.

brief en concept

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA