19551003 Thea Vermeulen-Diepenbrock aan Ministerie van OK & W - B. Wagemans

Thea Vermeulen-Diepenbrock

aan

Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (B. Wagemans)

Amsterdam, 3 oktober 1955

3-10-55

Prof R. schreef mij dat hij een zeer aangenaam onderhoud had gehad met de heer v.d.P. waarbij hij gesproken had over de mogelijkheid van een toelage aan mijn man, en hij vroeg mij met u nader in contact te treden. Gaarne zal ik u zo nodig mondeling de vereiste toelichtingen geven, maar ik kan u reeds schriftelijk ons geval uiteenzetten.

Sinds jaren en jaren is het schrijven van artikelen voor mijn man een pijniging. Het is zijn eigenlijke aard om creatief werkzaam te zijn en de analytische toestand die van de criticus vereist wordt is voor hem onverenigbaar met de lyrische staat van de scheppende kunstenaar. Wat het betekent om door de omstandigheden gedwongen te zijn: – geen geld en de ontstentenis van uitvoerende musici die zich voor mijn man's uiterst moeilijke, haar tijd ver vooruitzijnde muziek willen interesseren – zich te moeten afsnijden van zijn eigenlijke wezen zult u misschien kunnen begrijpen. Het is dus niet sinds vandaag of gisteren dat ik uitzie naar de mogelijkheid van een ander leven voor mijn man. Maar als ik hem erover sprak om hoe dan ook te zoeken naar een uitweg, zei hij mij altijd dat er geen was. Nu echter schijnt het tijdstip gekomen dat hij deze toestand niet langer kan bestendigen. Men kan tenslotte niet zijn leverslang op een karig loon over Beethoven en Brahms blijven schrijven. Mijn man wordt deze winter 68 jaar en als hij nog wil proberen te luisteren naar wat er in zijn binnenste ligt te sluimeren, dan moet nu de knoop doorgehakt worden. –

Een omstandigheid die hem zelf anders tegenover het probleem van ons levensonderhoud heeft doen staan, is de aankondiging door de Regering van een Staatspensioen voor allen die de 65-jarige leeftijd hebben bereikt. Die ruim f 100.- in de maand zullen dan toch (al is het pas in 1957) een kleine basis vormen.

Ik zal u nu precies zeggen waarvan wij op 't ogenblik leven en hoeveel inkomen wij zouden opgeven als wij onze plannen tot werkelijkheid konden maken. Mijn man heeft niet alleen het sterke verlangen om zijn werk bij de Groene op te geven, maar hij zou ook de stad willen verlaten omdat het verschrikkelijke lawaai en de drukte van het verkeer hem een voortdurende stoornis zijn in zijn gedachten. Dit betekent dus dat ik aan mijn werkzaamheid bij de N.R.C. eveneens een eind zou maken en dat zou onze inkomsten verminderen met f 5940.-.

Gelukkig hebben wij van dit bedrag niet uitsluitend hoeven te leven, want ik zou niet geweten hebben hoe ervan rond te komen met één kind uit ons huwelijk en drie kinderen uit mijn man's eerste huwelijk, die geen van drieën in welvarende omstandigheden verkeren. Wij hebben nog inkomsten uit auteursrecht (van mijn man zo goed als niets, van mijn vader gemiddeld f 1500.- per jaar) en van en klein kapitaaltje ruim f 20.000. + de huur van een huisje in Laren, die met aftrek van de lasten ca. f 400.- bedraagt. Verder betrekt mijn man sinds 1 oct. '54 een klein pensioen van het Gen. v. N.C. à f 450.- per jaar.

De auteursrechten blijven natuurlijk altijd een onzekere post, maar alen baal bezien kunnen wij dus or ruim f 3000.- rekenen.

Die ± f 6000.- van onze honoraria moeten echter op de een of andere manier vervangen worden, want ik zie geen kans te kunnen bezuinigen. Ons dochtertje van 6 jaar heeft tot nu toe nog niet veel gekost, maar zij komt thans in de leeftijd van extra lessen, van elk ogenblik nieuwe schoentjes, van een fiets, van duurder speelgoed, een groot bed etc. Wij verwonen nu een gestoffeerde woning à f 75.- per maand en hebben als onderhuurders geen kosten van onderhoud; zal ik voor dit bedrag ergens buiten iets kunnen vinden? Goedkoper toch niet, schijnt mij toe.

Ik heb geen personeel ook daarop kan ik dus niet bezuinigen. Wij zijn nog nooit op vacantie geweest, ook daar kan ik dus geen geld vrij naken. Zo is de situatie. Het zal dus (vanwege het kind en de waarschijnlijk nog toenemende duurte) nodig zijn eerder meer dan minder aan te vullen van het op te geven bedrag van f 5940.-.

Ik geef het in uw handen om het geval te bespreken met Z. Ex de Minister. Wij zullen zeer dankbaar zijn als het Departement ertoe wil bijdragen dat wij een beslissing kunnen nemen die nodig is.

Th. Vermeulen-Diepenbrock

alleen in transcriptie bewaard gebleven