19531230 H. Ens aan redactie DGA

H. Ens

aan

redactie De Groene Amsterdammer

Delft, 30 december 1953

Delft, 30 December 1953

Omtrent het artikel "Tekens in de lucht" van Matthijs Vermeulen in een van de laatste nummers van Uw blad wil ik enige opmerkingen maken.

1. De er in voorkomende bewering dat de eventuele constructeurs van zogenaamde Ufo's op de Westerse technici een voorsprong van een halve eeuw hebben is op niets gegrond. Zij zou immers alleen gegrond kunnen zijn wanneer enerzijds gedetailleerde gegevens omtrent aard en prestaties van de betreffende Ufo's bekend waren, en anderzijds de ontwikkeling van de techniek tot op redelijke nauwkeurigheid voorspelbaar was. Noch het een noch het ander is het geval; in het bijzonder is de ontwikkeling van de techniek in sterke mate afhankelijk van niet technische factoren (met name economische en politieke) en is zij alleen uit dien hoofde reeds volstrekt onvoorspelbaar. Ook overigens is zij niet te overzien omdat de moeilijkheden die op langere termijn overwonnen zullen moeten worden nog geheel onbekend zijn.

2. Wanneer de betreffende Ufo's inderdaad van snelheden van de grootteorde van 20 000 km/uur pal stilhouden, haakse wendingen maken, plotseling snelheid veranderen van minimum tot maximum, vertonen zij wel degelijk dingen die theoretisch onmogelijk zijn – althans voor door mensen bemande voertuigen. Bij dergelijke manoeuvres treden immers versnellingen op waartegen het menselijk lichaam op geen stukken na bestand is en er is geen reden om aan te nemen dat het dit ooit zal worden: merkbare biologische vooruitgang is in het menselijke ras niet waar te nemen.

3. Het lijkt mij ook theoretisch onmogelijk dat een voorwerp zich met een snelheid van 20 000 km/uur geruisloos door de atmosfeer beweegt. Dit niet eens zozeer vanwege het lawaai van de aandrijving (wie ooit het geluid van de V2, die een van de hoogste tot dusverre bereikte snelheden had, gehoord heeft, zal dit duivelse gebrul zijn leven lang niet vergeten) als wel omdat ieder supersonisch vliegend voorwerp schokgolven uitzendt die zich als geluid aan ons voordoen. Zo is het huilende geluid van kogels en granaten welbekend. Deze hebben slechts een snelheid van de orde van 3000 km/uur. Waar vele componenten van het geluid met hogere (tot 5e en 6e) machten van de snelheid groeien is het duidelijk dat het geluid van een gelijksoortig vrij vliegend voorwerp bij 20 000 km/uur honderden malen luider moet zijn. Geruisloos vliegen bij die snelheid lijkt mij veel weg te hebben van een perpetuum mobile.

4. Er is geen enkele mij bekende basis voor de snelheid van 20 000 km/uur die Matthijs Vermeulen noemt. Van geen enkele Ufo is tot dusverre instrumenteel de snelheid bepaald, en schattingen op grond van waarnemingen met het blote oog hebben geen enkele waarde.

Men weet immers noch de grootte van het object, noch zijn afstand, noch zijn snelheid. Om de snelheid te kunnen schatten heeft het oog de afstand nodig (en zelfs dan kan het slechts de snelheid in één vlak schatten) en om de afstand te kunnen schatten moet het de grootte kennen.

Ik herinner me een zweefvliegdemonstratie waar een groot deel van het publiek minutenlang een bepaald toestel volgde. Toen dit tegen het dak van een schuur vloog ging een luide kreet op: pas op dat moment bemerkte men dat het geen echt zweefvliegtuig was maar een model van ongeveer anderhalve meter grootte.

Wanneer bij dergelijke geringe afstanden het schatten van de grootte dus reeds moeilijk is, is het duidelijk dat ook de meest geoefende waarnemer wanneer het om afstanden van kilometers gaat, niet kan schatten hoe groot een voorwerp is zonder te weten hoever het verwijderd is en niet hoever het verwijderd is zonder de grootte te kennen. Zo lang we dus geen instrumentele waarnemingen van Ufo's hebben is het niet mogelijk ook maar iets verstandigs over hun snelheid te zeggen.

5. De schatting van 50 eeuwen technische voorsprong voor wezens van buiten ons zonnestelsel die er in slagen ons een bezoek te brengen, heeft helemaal geen verband meer met de realiteit. Welke reden is er om aan te nemen dat de mens eens in staat zal zijn "om zich naar believen en in elk tempo, in elke gestalte te incarneren en te desincarneren, te materialiseren en te dematerialiseren"? Ik zie niet in dat wij in dit opzicht in de laatste 50 eeuwen ook maar enige vorderingen gemaakt hebben. En als het al gebeurt, waarom dan juist in 50 eeuwen?

Conclusie Matthijs Vermeulen heeft zijn artikel op wetenschappelijke basis willen opbouwen doch hij heeft noch de daartoe nodige kennis van zaken, noch de vereiste wetenschappelijke geestesinstelling.

Meteen moet hier bijgevoegd worden dat het artikel prettig geschreven is en dat de ontwikkelde gedachten interessant zijn. Het is boeiend en lezenswaardig als een goede roman, maar met realiteit en wetenschap heeft het niets te maken.

Tegenwoordig is dit schrijven over wetenschappelijke of technische onderwerpen door mensen die daaromtrent niet voldoende kennis hebben een tamelijk algemeen voorkomend verschijnsel. Kon wellicht vroeger een belangstellend journalist met intelligentie en fantasie een betrouwbare voorlichter zijn op deze terreinen, op het ogenblik is dit beslist niet meer het geval.

Het is jammer dat dit niet voldoende ingezien wordt. Of is het wellicht niet mogelijk voldoende ter zake kundigen te vinden die tevens over capaciteiten beschikken om hun kennis en inzicht over te brengen door middel van het geschreven woord?

Hoe het zij: op economisch gebied is de Groene er in geslaagd in dr v.d. Woestijne een uitstekend medewerker te vinden, doch op technisch gebied is de voorlichting aanzienlijk minder. Voor zover ik begrepen heb is de enige vaste medewerker van de Groene die zich wel eens met technische aangelegenheden bezighoudt Max Dendermonde.

Met zijn vaak wat opgeblazen en bombastische stijl weet deze dikwijls zijn gemis aan feitelijke technische kennis te verbergen en meestal maakt hij van zijn artikelen dan ook wel wat lezenswaardigs. Soms glijdt hij evenwel deerlijk uit (ik herinner me van enige jaren geleden een artikel over onbewaakte overwegen dat kant noch wal raakte) en bijna nooit weet hij het zo nodige begrip voor moeilijkheden en mogelijkheden van een bepaald product of bedrijf bij niet technisch geschoolde lezers te wekken.

Ik nam het artikel van Matthijs Vermeulen als aanleiding tot het maken van deze meer algemene opmerking en tevens als illustratie daarvan omdat het een duidelijk voorbeeld is en op een geschikt ogenblik verschijnt – namelijk juist nu ik tijd heb om te schrijven. Ik hoop er Uw en mijn blad een dienst mee te bewijzen.

Uw lezer

H. Ens

H. Ens

Julianalaan 39

Delft

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA