19491013 Renilde Montessori aan Matthijs Vermeulen

Renilde Montessori

aan

Matthijs Vermeulen

13 oktober 1949

[op tweede blad:] 13-10-1949

Zeer Geachte Mijnheer Vermeulen,

Gisterenavond in het concertgebouw heb ik onder het luisteren naar Uw muziek voor mijzelf in woorden omgezet hoe zij mij precies trof. Later in de pauze las ik hetgeen in het programma over U geschreven stond, en over het ontstaan van deze muziek. Het was zo vreemd om werkelijk uit een werk te halen wat er inzat, vooral voor een volkomen leek, dat ik bedacht om voor U op te schrijven wat zo duidelijk indruk op mij maakte, ik sluit het hierbij in.

Met de meeste hoogachting, en bijzondere dank voor een zeer interessant en aangrijpend concert,

Verblijf ik,

Renilde Montessori

De alles vullende chaos van oorlog die zwelgend in het eigen vuil zich wentelt; boven marsrhythmen kreten van synthethische idealen uitstotende moralisten, nagejouwd door de waarachtig levenden die niets dan cynisme, hopeloze bespotting van het alomheersende levens surrogaat overhouden.

Een vunze ketel waarin goor sudderende opwellingen van verminkte geesten de fiere puurheid van de cosmische waarheden besmet, een vuile schuimlaag van vergoelijkende slagkreten gegrond op dorre zederegels drijft op het stinkend bobbelend sop van een te volle tijd die zichzelf vergiftigt omdat geen afvoer meer bestaat.

Een druppel van het brouwsel onder de microscoop – twee jonge geesten nog beneveld door de laatste resten zoete slaap uit een beschermde kindertijd, hun liefde bezingend onverstoorbaar tegen de achtergrond van de machinale oorlogsloei – alsnog onaangetast door de vergrauwing van volwassenheid – helder lome enkelvoudige zaligheid die eeuwig en uitsluitend schijnt. Hoe dit immer onbesmet kan blijven door het stinkend gif – het is het onsterfelijk schone, onkwetsbaar in een milde straling, het niet vernietigbare leven.

Pover was het cynisme, armoedig het uitsluitend critiseren van het moeras waarin allen vastgezogen zijn, waar uit ontvluchten toch onmogelijk is. Op de martiale rhythmen heffen de nog goddelijken een nieuw lied – met hoog gedragen hoofd begint het niet meer hopeloze dempen.

Onbereikbaar zijn de sterren, en hoe zij toch van een onnoemlijke troost zijn.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA