19480426 Piet Tiggers aan Matthijs Vermeulen

Piet Tiggers

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 26 april 1948

Amsterdam Zondagnacht

26 April 1948

Beste Matthijs,

Zonder één enkele, zelfs geen snelle huivering heb ik je wederwoord aan E. Reeser gelezen. Het verweer is mannelijk, objectief, fors – zoals het onder kerels betamelijk wordt geheten.

Hoewel jij en ik niet van karakter, maar wel van temperament onderscheidenlijke functies in dit wonderlijke conglomeraat van zotheden, die wij samenleving plegen te noemen, bekleden, onderschrijf ik van a tot z je waardig verweer. Ik ben blij, dat je weer bij ons in Nederland bent, ondanks je wit-gloeiende driftkoppigheid (en misschien juist dáárom) aangezien wij je heel erg hard nodig hebben. Hoe kòn je er toe komen een glibberige, kwallige natuur als Reeser is, voorzien van duizend akelige en griezelige tentakels, die meent dat hij zwemt maar alleen een pisserig product van goddelijke ironie en humor is, zó fier en royaal en ernstig en op-niveau te beantwoorden! Sta mij toe – hoe naar dit soms kan zijn – nu eens op papier te zetten, hoe zeer ik je bewonder. Ik kan deze energie om dit levende vraagteken van narigheden, dit volgestopte worstje met eigendunkelijke Ikheidjes, aldus als jij gedaan hebt, te beantwoorden zelfs met behulp van de Lieve God niet opbrengen. Ik val in puin als ik aan dit Eduardje denk, dit stuk schriel ongeluk – dat ik helemaal niet haat en waarvoor ik alleen maar (vergeef me) bid, opdat O.L.H. hem ruggegraat of een sterke pees zal geven – en ik zwijg tegenover deze "oom" die als een geile bok vleit om de lieve flikflooierijen van een "Departement". God bescherme de vette katholieken.

Handdruk

je Piet Tiggers

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA