19460209 Matthijs Vermeulen aan Frederic von Eugen-afschriftenconcept

Matthijs Vermeulen

aan

Frederic von Eugen

Louveciennes, 9 februari 1946

Zeer Geachte Heer Van Eugen

Uw brief van 30 Jan. treft mij door zijn realiteitszin, en als ik U, volgens Uw wensch niet behoef te danken voor een "gebaar", U zult mij toestaan, hoop ik, U mijn bewondering te zeggen voor de even praktische als ideëele wijze waarop U mij tot schrijven noodigt, en U te verzekeren dat de waardeering welke U mij toont, aldus uitgesproken mij dubbel verheugt. Hoe zeldzaam Uw standpunt is weet ik door eigen ervaring. Ware mij immers het voorrecht te beurt gevallen eerder met U in contact te komen, dan hadde ik, gedurende de dertien jaren van mijn uitstekend gehonoreerd correspondentschap te Parijs voor een Indisch blad, geen journalistiek geleverd, waarvan ik de quantiteit schat op minstens twintig boekdeelen van drie honderd pagina's, doch ik zou mijn tijd hebben kunnen gebruiken voor litterairen arbeid van blijvender hoedanigheid dan dagbladwerk, hoe goed en nuttig het overigens is. U ziet dus dat ik alle reden heb tot erkentelijkheid voor een inzicht en opvattingen als de Uwe.

Het spreekt dan ook vanzelf dat ik met de overeenkomst welke U mij voorstelt ten volle accoord ga, en dat de precisies die U mij verschaft omtrent Uw bedoelingen mij deze instemming tot een vreugde maken.

Daar U mij de vrijheid laat om het oogenblik te bepalen waarop onze overeenkomst kan beginnen, zou ik, wanneer U dit goedvindt, als datum van inwerkingtreden willen kiezen 1 Mei. Het boek waaraan ik nu arbeid zal dan gereed zijn, zoodat ik al mijn krachten zal kunnen besteden aan de verwezelijking van Uw verwachtingen. Ik meen ook dat door een geregelder spoorwegverkeer mijn verhuizing op dien tijd minder bezwaarlijk zal zijn dan heden. Wanneer 't kon zou ik een werk waarvoor ik hier al 't materiaal bij de hand heb ook hier willen beëindigen. Het spijt mij natuurlijk dat een ontmoeting met U daardoor vertraagd wordt. Doch wellicht voeren Uw zaken U in den loop dezer drie maanden naar Parijs, en U zoudt mij dan een wenk kunnen doen.

Ik vind het steeds nog eenigszins jammer dat het boek waaraan ik bezig ben niet kan verschijnen bij U en met genoegen geef ik U de gevraagde inlichtingen. De titel is: "Princiepen der Europeesche Muziek". De uitgever: Uitgevers-maatschappij Holland, Heerengracht 149, Amsterdam, dir. J. van Ulzen, dien ik niet de eer heb persoonlijk te kennen. Het honorarium bedraagt 900 gulden voor een omvang van 100 à 120 pagina's; de omvang is echter niet contractueel vastgesteld, en al arbeidende merk ik dat hij ongeveer tweemaal grooter zal worden.

Ik koos dezen titel en stof zelf. Mocht U eenig onderwerp in de gedachte hebben waarvan U de behandeling geschikt acht voor mij, en gewenscht voor de actualiteit, doch dat mij zou kunnen ontsnappen, dan zal ik daarover altijd gaarne met U raadplegen en zooveel in mijn vermogen ligt aan Uw verlangens voldoen.

Om U de waarheid te zeggen heb ik het schrijven nooit als een roeping beschouwd doch steeds als iets accidenteels, en het schijnt me haast dat ik nimmer geschreven zou hebben wanneer economische noodzakelijkheden mij daartoe niet geleid hadden. Wijl ik het doen moest deed ik het zoo goed mogelijk. Ik schreef echter zelden zonder tegenstand te wekken bij een ander personnage in me dat muziek wil maken en zich te kort gedaan achtte. Daar ik de laatste vijf jaren onafgebroken gecomponeerd heb vermoed ik dat hij me wel met rust zal laten. Het eigenaardige is dat nooit iemand zich actief voor mijn muziek geënthousiasmeerd heeft, zooals U en A. Roland Holst zich interesseeren voor mijn schrijven. Dit overwegende vraag ik mij soms af wat ik eigenlijk in de eerste plaats ben: musicus of schrijver? Zeer gaarne had ik mij ten dienste gesteld van een of anderen magnifieken prins die mij wilde benuttigen als componist. Dit is niet gebeurd. Maar nu het gebeurt daarentegen dat er een prins als U (want reëel blijvend moet ik niet enkel iets zakelijks maar óók iets magnifieks zien in Uw aanbieding) ben ik geneigd in Uw uitnoodiging een aanwijzing te bespeuren welke mij voorloopig althans tot klaarheid brengt over wat ik moet zijn. Dus schrijver. Ik geef U deze persoonlijke opheldering omdat U zoo vriendelijk is mij te herinneren aan de verplichtingen welke een "bijzonder talent" mij oplegt, en ook omdat U zeer waarschijnlijk belangstelt in de psychologische mechaniek der menschen die U in Uw functie van uitgever (welke een even gewichtige civilisatie-factor kan zijn als de schrijver-zelf) te beoordeelen krijgt.

Terugkeerend tot het meer zakelijke wilde ik U nog vragen mij mede te deelen welken omvang, volgens Uw inzicht, het boek (of de boeken) ten naastenbij moeten bezitten die ik tijdens een jaar te schrijven heb om te beantwoorden aan redelijke verwachtingen. En eveneens of U er eventueel in zoudt toestemmen dat hetgeen ik voor U schrijf eerst gepubliceerd wordt in een dagblad of tijdschrift. Dit heeft een goeden kant voor den auteur. Doch daar het een goede en slechte zijde kan hebben voor den uitgever laat ik de beslissing hierin aan U over.

Ook als U den datum onzer overeenkomst zoudt willen vervroegen zal ik naar mogelijkheid trachten mij in Uw wenschen te schikken.

Gaarne nadere berichten van U wachtend en U nogmaals mijn erkentelijkheid betuigend

Met de meeste Hoogachting

MV

afschrift plus concept

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA