19311214 Matthijs Vermeulen aan H.C. Zentgraaff SH - concept

Matthijs Vermeulen

aan

H.C. Zentgraaff (Soerabaiasch Handelsblad)

Louveciennes, 14 december 1931

Zeer Geachte Heer Zentgraaff,

Vriendelijken dank voor Uw schrijven van 13 November en voor het uitstel dat U mij schenkt. Ik zal mijn erkentelijkheid omzetten in copy en hoop dat zij goed genoeg zal zijn om U wederkeerig voldoening te bezorgen. Vandaag vertrekken twee brieven direct per Fransche vliegpost.

Ik heb met den heer Blankenstein een kleine oneenigheid, die al langer dan een jaar oud is, en waarvan ik U wel op de hoogte wilde houden. De laatste aanleiding tot meeningsverschil was 't volgende:

In het S.H. van 24 October 1931 vond ik in een Berlijnsche Correspondentie de volgende zin: "Het vakblad van het Fransche leger "France Militaire" mag openlijk tot den oorlog aansporen."

Ik vond de uitlating in zoo flagrante tegenspraak met wat ik zelf als geloofs-artikel staande houd en waarvoor ik zooals men middeleeuwsch zegt "door 't vuur zou willen loopen", dat ik meende deze krasse beschuldiging niet over mijn kant te kunnen laten gaan. Noch te mogen. Het resultaat van zulke aantijgingen, die verbreid worden op enorme schaal, kan op een zeker moment verschrikkelijk worden.

Ik verzocht dus den heer Blankenstein in zijn kwaliteit van "super-visor" of hij de goedheid wilde hebben om zich namens mij tot onzen Berlijnschen Correspondent te wenden en hem uit mijn naam een eierdopje aan te bieden in een edel metaal zijner keuze en met inscriptie desnoods, op voorwaarde dat hij mij het nummer kon citeeren van "La France Militaire" waaraan de door-en-door schandalige uitlating ontleend was.

Met deze uitdaging had ik niet de bedoeling een polemiek te openen met een onzer medewerkers doch wenschte deze "zuivere koffie" voor mijn persoonlijke satisfactie.

Natuurlijk ontving ik niet het gevraagde bewijsstuk. Natuurlijk behoef ik geen eierdopje naar Berlijn te expedieeren, in goud, in platina of, wie weet, in gewoon aluminium. Ik was daar geheel gerust over daar ik zelf La France Militaire lees. Als onze Berl. Cor. niet zelf falsifieert dan laat hij zich schromelijk misleiden. In het onderhavige geval is 't tweede even triest als 't eerste. Want werkelijk: het doet leed zulke dingen te lezen.

De heer Blankenstein echter schreef mij een brief waarin hij mij (in de collegiaalste termen overigens) eensdeels zegt dat men in Soerabaia heel wat voor mij over heeft door expres voor mij en om mijn "fel eenzijdige Fransche opvattingen" te contra-balanceeren een Duitsch correspondent aan te stellen en aan te houden. Anderdeels waarschuwt hij dat ik door mijn "felle eenzijdigheid" "veel op het spel zet". Hij plaatst mijn geval op één lijn met het geval van onzen Berl. Cor. Hij vergeet dat ik nimmer een gevaarlijke en pertinente leugen heb laten drukken. Ik stel gaarne wederom een eierdopje ditmaal in porcelaine de Sèvres ter beschikking voor onverschillig wie mij het tegendeel bewijst.

Ik heb U in Juli j.l. gevraagd of U aanmerkingen hadt over de wijze waarop ik mijn taak vervul. Ik herhaal met genoegen deze vraag. Voor een wenk van U zal ik altijd te vinden zijn. Een nuance is dikwijls mogelijk zonder convicties te offeren. En verlies ik "het spel"... welaan... Op hoop van zegen. Ieder doet wat hij kan. Voor mijn binnenste zijn de zaken in orde.

Doch gaarne zou ik zien dat men in Soerabaia geen onjuiste meening had omtrent mijn "felle eenzijdigheid". Het is evident, dunkt mij, dat ik voor de fouten der Franschen volstrekt niet blind ben en ze herhaaldelijk heb uitgemeten. Ik heb een passie voor billijkheid. Het is ook evident, dunkt me, dat telkens wanneer ik pro-Fransch was, ik dit standpunt wijd en breed, dubbel en dwars heb toegelicht met klemmende argumenten. Men kan op dit moment geen erger vergissing begaan, lijkt mij toe, dan door Frankrijk tot zondebok te maken van de planeet, gelijk meer en meer gebruikelijk wordt. Op zulk een vergissing kan slechts een catastrofe volgen. Wij zullen ze misschien niet afwenden. Doch dit is geen reden om eraan mee te werken.

Maar gesteld dat ik ongemotiveerd (God beware me!) fel eenzijdig zon zijn. In welk opzicht kan deze eenzijdigheid de lezers van het S.H. schaden? Toen de Plan-Young-obligaties uitgegeven werden heb ik met nadruk gewaarschuwd tegen dit papier en als ik niet de eenige was, stellig waren er niet veel! Wie had gelijk? Zij die mijn raad gevolgd hebben verliezen ten minste op deze stukken hun geld niet. En wanneer de Nederlandsche Bank eventjes het oor te luisteren had willen leggen te Parijs en dezelfde eenzijdig-Fransche inlichtingen vertrouwd had omtrent den sterling, welke ik openbaar maakte in het S.H., dan had zij zonder eenige moeite een twintigtal millioenen kunnen redden. Dit zijn twee voorbeelden. Ik zou ze gemakkelijk kunnen vermenigvuldigen.

Wat mij betreft: ik draag het verwijt van eenzijdigheid zonder ongemakken. Op den dag dat ik merk mij op een essentieel punt in mijn appreciaties vergist te hebben zal ik de eerste zijn om mijn ontslag aan te bieden. Doch gaarne zag ik dat men mij te Soerabaia, daar niemand mij redelijkerwijs iets ten laste kan leggen, recht deed wedervaren. Ik twijfel daaraan geen oogenblik, dat spreekt vanzelf. Ik had dezen brief misschien niet eens hoeven te schrijven. Ik zou er mij bijna voor willen excuseeren. Maar toch lijkt 't me niet ondienstig om even de feiten te laten spreken, en U te verzekeren dat er geen woord uit mijne pen komt dat niet berust op een strikte en streng gecontroleerde waarheid.

Met alle verontschuldigingen voor deze ontboezemingen en onder herhaling mijner erkentelijkheid blijf ik met de meeste hoogachting en collegiale groeten

Gaarne Uw

concept, met correcties in de hand van Anny Vermeulen-van Hengst

[datum vastgesteld op basis van antwoord Zentgraaff d.d. 11 januari 1932]

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA