19260810 Anny Vermeulen-van Hengst aan Berthe Seroen

Anny Vermeulen-van Hengst

aan

Berthe Seroen

La Celle Saint-Cloud, 10 augustus 1926

La Celle St. Cloud (S & O) 1 Rue de Vindé

10.8.26.

Lieve Mevrouw Seroen,

Wat een ellendige gecompliceerde geschiedenis! Den brief van Mijnheer Mastenbroek leg ik zonder meer ter zijde, omdat ik hem moreel, of geestelijk, zooals men wil, niet accepteer. 't Is gevaarlijk schrijven zoo midden in den nacht: allerlei demonen loeren een gelegenheid af om de menschen een "loer" (excusez!) te draaien, zelfs een vrij onschadelijke en amusante geest als Puck doet er aan mee, niet waar, en daarom ook is deze middernachtelijke brief van Uw man eerder een "cauchemar" dan wel eene realiteit, waarmee ik rekening zou moeten houden.

Mevrouw, in hemelsnaam, wat is "malice"?! "een kleine malice" nog wel die zoo Uwe gemoederen in beweging bracht; bij U in een aardig hartelijk verwijtend schrijven, bij Uw man in een onbeheerscht grof-getint epistel waarin met bijvoegelijke naamwoorden gegoocheld wordt die absoluut niet bij eenvoudige, sereene naturen behooren, hare uiting vond?! In mijn geval was 't zeker geen kwaadaardige of vooropgezette actie, daarvoor is 't mecanisme van mijne gedachten te vlug: één minuut te voren d.w.z. voor ik ze uitsprak, was die onheilbrengende gedachte nog ongeboren. Toen ze doorbrak was 't meteen met de wensch om U gemakkelijk op een chapiter te brengen waarover m.i. toch gesproken moest worden. En ik méénde het, "dat U de liederen bij Prunières moest zingen". Doch Thijs was het absoluut niet met mij eens, die vindt het geval Dresden – (dus niet U is in wat ook schuldig) Prunières onaangenaam, zeer onaangenaam. 't Kon niet anders of Dresden mutileerde het werk. Stelt U zich toch eens op het standpunt van den componist. En leest U nu dat gedeelte van mijn brief goed over waarin ik zeg dat P. van te voren reeds bewerkt was door de kliek. Daar heeft U niets mee te maken, met die kliek, want dacht U dat ik U dan geschreven zou hebben, in dit voorjaar, terwijl wij meer dan 1½ jaar op de hoogte zijn van die séance? Die kliek een "gezeur"?! Was 't maar waar, dan zou het Mijnheer Mastenbroek geen moeite kosten direkt iets voor Thijs' werken klaar te spelen. Wil hij 't probeeren?! Zijne drie symphoniën b.v.? Zijn kamermuziek b.v. onder de kamermuziek-avonden van het Concertgebouw? Zelfs een "gagne-pain" aan een krant? Dan zal M. Mastenbroek onherroepelijk stooten op die "kliek", zooals ieder die het trachtte, deed. Een der dingen die Prunières o.a. aan mijn man vertelde was, dat hij jaar in jaar uit zoo'n "haine effroyable" tegen Thijs ontmoette in A'dam en elders dat hij eindelijk (wel wat laat, zeg ik!) tot de conclusie kwam dat eene persoonlijkheid, die zoo'n haat verwekken kon nog steeds, lang na zijn vertrek, wel de moeite waarde moest zijn om kennis mee te maken. – P. weigerde toch maar pertinent van te voren om de cello-sonate bij zich te laten uitvoeren zich beroepende op de A'damsche auditie van Thijs' muziek. Hij heeft nu zelf die sonate aan Senart aanbevolen en 't contract met Thijs zeer in de hand gewerkt. Daarom kunt U misschien begrijpen, dat Thijs, (U er geheel buitensluitende, U bent immers voor ons degene die ik U reeds zeide te zijn), die herinnering pénible vindt voor P. en voor zich zelf dat ook niet wenscht. – Als U denkt dat wij er U "scheef" om aanzagen, omdat U er niet over sprak toen, dan hebt U het mis. Wij begrijpen dat U met holl. musici te veel te doen heeft en 't geval weer van een ander standpunt beziet, wat Uw recht is. – U schijnt, of heb ik 't mis, dat gedeelte over die Société's ook als, laten we zeggen "malicieus" op te vatten: lieve Mevrouw, 't was gewoon een verontschuldiging en verklaring wáárom Thijs geen vastigheid heeft kunnen verkrijgen omtrent die plannen. Dus ook dit kwam denkelijk mij toen die gedachte helpen uiten, nu U niets vast bij de Société's hadt "moest U 't maar bij Prunières zingen". Ik zeg U nog eens: daar zie ik van mijn kant niets in. Maar Thijs wel. – Dat U nu werkelijk van mij kunt denken dat ik U in een valstrik zou lokken?! Kent Uw man mij? Immers niet, want dan zou hij zien hoe potsierlijk zijn ténébreuse brief is met betrekking tot mij! Ik zal U verraderlijk met een malicieusen dolkstoot doorboren? U waarvan ik in dien zelfden brief zeg te behooren tot die vertolkers van Thijs' muziek waaraan ik met "teederheid" denk?? Foei, lieve Mevrouw, dat zijn opgewonden, dramatische visioenen. Ik ben U zelfs nog veel véél dankbaarder dan Thijs voor Uw zingen, 't klinkt gruwlijk maar heeft een doodgewone oplossing: de ingeboren "majesteit" van een componist (ieder scheppend kunstenaar) doet hem zijne werken eerder als gaven aan de menschheid beschouwen dan wel dat hij de "ontvanger" is. Begrijpt U mij alsjeblieft niet verkeerd: het is niets in verband met U, maar slechts het verschil tusschen Thijs en mij, ik die wel "ontvanger" ben. U is degene, die mij die gift van Thijs mogelijk maakt te ontvangen. Begrijpt U mij lieve, gekwetse, achterdochtige, hartelijke Mevrouwtje? Het monster uitgebeeld in den brief van M. Mastenbroek is een heusche cauchemar, verzekert U hem dat gerust uit ons beider naam. Nu lieve Mevrouw, tot ziens? of niet? Dat laat ik natuurlijk aan U over, want ik ga nergens heen en ging ik per toeval nog naar A'dam dan zal ik zoo vrij zijn, met een "effronté", vrije blik ondanks M. Mastenbroek, een paar blommekens aan Uwe voeten neer te leggen!

Uwe Anny Vermeulen-van Hengst.

Verblijfplaats: Den Haag, Nederlands Muziek Instituut