19670412 J.H. van Wijk aan Matthijs Vermeulen

J.H. van Wijk

aan

Matthijs Vermeulen

Haarlem, 12 april 1967

Haarlem, 12 april 1967

Zeer geachte Heer Vermeulen,

zondag heb ik − en hebben met mij velen − in het concertgebouw te Amsterdam Uw zevende symfonie aangehoord. Ik wilde U met dit werk en deze uitvoering − eindelijk eens vrijwel terstond tenminste vrij spoedig nadat zij was geschreven, − van harte gelukwensen.

Ik herinner mij de uitvoering nu vele jaren geleden van Uw vierde en vijfde symfonie, en hoe onverdraaglijk lang U op de uitvoering van Uw tweede hebt moeten wachten. U hebt toen eens in de Groene beschreven welk een neerdrukkende werking van dat al maar niet-uitvoeren uitging. U hebt desniettemin Uw arbeid voortgezet en de druk omlaag overwonnen.

Mocht het mogelijk zijn, mij nog het nummer van de Groene te noemen, waarin dat artikel stond, dan zal ik dat bizonder op prijs stellen. Het was mij destijds ook uit het eigen hart gegrepen, omdat iedere onafhankelijke mens op vermoedelijk ongeveer ieder gebied soortgelijke ervaringen opdoet.

Ik had mij op het luisteren naar Uw Zevende voorbereid door de partituur mee te nemen naar Mallorca waar ik rondom de Pasen zat, en haar daar met Uw eigen beschrijving in Sonorum Speculum door te nemen. Zo werd het luisteren als het lezen van een open boek, met klare en heldere taal en een steeds boeiend verhaal.

Met vriendelijke groeten en bizondere hoogachting

J.H. van Wijk

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA