19591230 Matthijs Vermeulen aan Karel Mengelberg-briefenconcept

Matthijs Vermeulen

aan

Karel Mengelberg

Laren, 30 december 1959

Laren (N.H.)

Drift 45

30 dec. 1959

Beste Karel,

Eindelijk moet ik je toch eens zeggen, dat jij, naar mijn bevinding, de enige criticus bent, die, hoe weinig tijd en ruimte je ook hebt (in een krant!) altijd een zakelijke, technische opmerking weet in te lassen (en dikwijls meerdere), waaruit mij blijkt dat je als kind aan huis binnenloopt in de werkplaats van een auteur, en zelfs kunt nagaan aan welk onderdeel van zijn karwei hij extra zorg besteed heeft. Dat is knap. Het getuigt van een buitengewone scherpzinnigheid, geheugen, intuïtie, affiniteit, om op 't eerste horen van een componist die onder de vaklieden in een kwaad blaadje staat wegens zijn troebele ondoordringbaarheid, zo maar voor de vuist weg regelrecht de kern aan te duiden van een donders lastig probleem, dat heel wat van zijn oplettendheid vereist heeft, en hem meermalen angstzweet berokkende, omdat het hem telkens een gelegenheid bood om er zijn nek over te breken. Ik bedoel hier dat vredig en onschuldig uitziend zinnetje van jou in je stuk over mijn zesde symphonie "een opzet waarin climax en anticlimax zich op bijzondere wijze voltrekken". Prachtig! Gegeven de strakke en lange lijn, waartoe het onderwerp mij inviteerde, en waarvan ik, eenmaal begonnen, nièt meer afkon, lag daar van α tot ω de kapitale moeilijkheid: in de praktische, menselijke noodzakelijkheid, onmisbaarheid, om periodiek eventjes adem-te-laten-scheppen, eventjes de spanning los te laten, zonder dat ook maar een seconde de aandacht verzwakt, of inzinkt. Je hebt het kentekenende van deze opgave zeer juist gevat, geformuleerd, en al verbaast mij dat nièt meer van jou, ik acht dat daarom niet minder bewonderenswaardig, want die bekwaamheid van je, en de intelligentie welke zij vooropstelt, zijn ongeveer uniek. Ook wat je schrijft over de instrumentatie is merkwaardig ad rem. Treffend. Ik heb de zesde inderdaad meer met voorbedachte rade georchestreerd, men zou mij zelfs kunnen verwijten "met effectbejag" (een woord uit het vocabulair van 50 jaar her) hoewel ik mijn best gedaan heb om te zorgen dat het "effect" primair-emotioneel, primair-psychisch van gehalte bleef. Maar in 't algemeen heb ik bij mijn vorige symphonieën de orchestrale factor, het "effect" als zodanig, bijna geheel buiten mijn consideraties gehouden. Is de Zesde in dit opzicht een vooruitgang? Of ben ik bezweken aan een wereldse verleiding? Ik kom daar niet achter, kan het niet uitmaken.

Nog voor menig ander karakteriserend woord in je stuk zou ik je mogen danken, maar ik wil mij bepalen tot het technisch plan, waar je voortreffelijkheid, je uitstekendheid objectief bewijsbaar zijn. Ik hoop je enig plezier te doen door je te tonen dat je eigenschap mij nooit verborgen is gebleven en dat ik ze hogelijk waardeer.

Het is jammer, sinds ik niet meer in Amsterdam ben, dat wij elkaar voortaan slechts bij tussenpozen van een lustrum zullen kunnen ontmoeten. Ik beschouw je als een raadsel (o.a. van ebenbürtigkeit − wij hebben daar geen term voor) en een kort gesprekje met jou in de concertzaal werkte bij mij altijd opbeurend.

Beste groeten van Thea, en onze hartelijkst goede wensen voor 1960.

je

Matthijs Vermeulen.

[notitie van Karel Mengelberg:]

Matth. dankend opgebeld 7.1.60 en gezegd, dat wij hem spoedig zullen opzoeken om o.m. over deze brief en zijn zesde te praten.

tevens concept

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA