19590420 Matthijs Vermeulen aan Sepha van Beinum-Jansen-concept

Matthijs Vermeulen

aan

Sepha van Beinum

Laren, 20 april 1959

20 Apr.

Lieve Sepha,

Het is nu een week geleden dat Eed stierf en sinds staan mijn voelen en denken op hetzelfde punt van lamentatie. Ik hoorde zijn dood te kwart voor een, door een telefoon van De Groene. Het uur zal mij wel tot mijn laatste dag bijblijven. De hele morgen was ik al uit de voegen geweest en volslagen onbekwaam. Het bericht trof mij zodanig dat ik uren lang niets kon denken dan: Ik zal hem niet meer zien. Ik zal hem nooit meer zien. Het enige antwoord dat ik kreeg, was: C'est terrible. Of, verschrikkelijk. Ik kwam niet verder. Het was me onmogelijk een artikel voor de Gr. te schrijven. Daarom hebben ze dat andere maar genomen. Ik schrijf later, hoop ik, nog over hem, wanneer de storm bedaard is. Het was me ook onmogelijk om aan jou te schrijven. Ik kon geen woorden vinden, en besefte veel te goed dat alle woorden ijdel zijn. Wij hebben natuurlijk geprobeerd inlichtingen te krijgen. Dat lukte niet. [begin doorgehaalde passage:] Ik had de hevige wens dat Bart even zou opbellen, enkel maar om te zeggen dat er niets te zeggen viel. Dat gebeurde niet. Alle verbinding verbroken.[einde doorhaling] Mijn Zesde symfonie componerende voor hem, werkelijk voor hem, had ik twee en een half jaar onafgebroken met hem doorgebracht, op hem gewacht, hem verwacht. En nu opeens niets meer dan die muur van onoverschrijdbare leegte. Toch wist ik door mezelf wanneer hij begraven werd, en waar. Doch dat verlicht het gemoed niet. Menige keer zijn er in deze week tranen opgeweld uit de ogen van Thea. Om hem, om jou. Misschien zelfs om mij. Want als er veel bereikt/verwezenlijkt is, er bleef ook zóveel onvervuld. En nu? Alle hoop verdween voor mij. Eed was in de hele muzikale wereld mijn enige toeverlaat, mijn enige houvast, en, voor mij, mijn enige vriend, in zo sterke verbondenheid, dat ik mij zelfs niet kan voorstellen een andere vriend te zullen willen zoeken. Niets heeft deze band ooit kunnen verzwakken, en niemand zal Eed voor mij ooit kunnen vervangen. Zo is hij ook voor jou geweest; daarom mag ik er over spreken. En daarom vind ik ook de tranen van Thea goed, hoewel ik er niet tegen kan, want zij maken mij murw en machteloos.

Wij hebben in Haarlem een neef, die monsignore is. Elk jaar trekt hij een dag uit om met ons een uitstapje te maken in zijn auto. Ik zal hem deze zomer vragen ons naar het kerkhof van Garderen te brengen.

Ik kan niet geloven je met iets te kunnen troosten, Sepha. Neem dit briefje zoals het gekomen is. Wij denken aan jou met het diepste medelijden.

Matthijs.

concept

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA