19590222 Matthijs Vermeulen aan Sepha van Beinum-Jansen

Matthijs Vermeulen

aan

Sepha van Beinum-Jansen

Laren, 22 februari 1959

Laren (N.H.)

Drift 45

22 febr. 1959

Beste Sepha,

Hoe jammer nu, al die kommer weer voor je en al die kwelling. En ik met mijn stomme kop, stom genoeg om niet begrepen te hebben dat het helemaal 't moment niet was om Eed te komen lastig vallen met gemier en gezeur dat ik oneindig beter tot sint juttemis had kunnen uitstellen. Maar ik wist absoluut niet, en kon het ook niet gissen dat de "misstanden" waarover hij me op oudejaarsdag sprak, zo erg waren en dat hij ze zich zo aantrok. Ik had me wel afgevraagd of die lange periode van non-activiteit, doorgebracht te Amsterdam, te midden van al dat visbloederig gewroet en gedraai, hem niet meer kwaad dan goed zou doen. Ik vond dat op lange na geen gunstige regeling. Eed is geen temperament om zoveel weken werkeloos toe te kijken zonder ongeduldig te worden, zonder zich onvermijdelijk op te winden, vooral als zijn ondergeschikten hem af en toe ook nog idiote schamperheden of botheden te slikken geven. Ik was echt blij over dat mooie en verkwikkende intermezzo, te kort helaas, van Londen. Ik was ook ontsteld toen ik later hoorde dat jullie al zo gauw uit Majorca in de stad en in het gekonkel terug waren. Waar zijn orkest is, daar is natuurlijk zijn hart. De zaken zouden zó geregeld moeten worden (geloof ik) dat hij elke maand anderhalve week dirigeert. En dat zou best kunnen wanneer er bij het Bestuur van de Stichting iemand was die inderdaad en oprecht van Eed hield, die het eerlijk meent met de muziek, en die zich bijgevolg nauwkeurig en voornamelijk rekenschap geeft van wat Eed waard is en van wat hem toekomt. Maar zo van buiten gezien lijkt het mij op 't ogenblik bij de Stichting even erg, ja veel erger dan ooit onder Rudi. Geen enkele kwalificatie schijnt mij daarom misprijzend genoeg voor het beleid en de persoon van Rudi's opvolger. Ik achtte die benoeming indertijd een waar ongeluk. Ik vind hem inwendig door en door griezelig. Ik houd hem van geboorte tot alle kuiperijen in staat, onder een mom van fatsoenlijkheid en zelfs van ridderlijkheid. Hoe denk jij daar eigenlijk over? Je hoeft het me niet te zeggen als je niet wilt. Zonder elkaar te raadplegen zijn wij in onze diverse oordeelvellingen dikwijls, misschien altijd, wonderbaarlijk eensgezind geweest. Maar op wat voor manier raken we hem kwijt? Met die riem en zo'n blok aan je been moet voorlopig verder worden geroeid.

Het is uitstekend dat je het ellendige van mijn zinnetje "doe eens voor een keer je best" me onder de ogen hebt gebracht. De brief waar het in stond was nauwelijks weg of het zat me dwars. Te meer omdat het volstrekt niet zo lelijk bedoeld was als het er uitziet. In géén geval mocht de nadruk kunnen vallen op "eens". Mijn gedachte was om te zeggen: Doe nog eens (nog 's) een keer je best. Het wees in mijn gedachte naar de Vijfde symphonie. Want ik zou wel een aterling moeten zijn als ik durfde beweren (na de Vijfde) dat Eed nooit zijn best heeft gedaan. Toen ik me opeens vergewiste van de vreeselijke dubbelzinnigheid omdat door onvoldoende nadenkendheid zo'n klein woordje was weggevallen, had ik me wel in stukken kunnen scheuren. Ik had hem direct moeten telefoneren misschien. Wegens alles wat ik eraan kan vastknopen, nu, (want men weet nooit door welke kleinigheden een depressie losbreekt) is die onoplettendheid een verschrikkelijke les voor me. Het berouwt mij geweldig en ik verzeker je dat zo iets nooit meer zal gebeuren. Ik zou willen en zal er ook voor zorgen dat in het vervolg tussen ons alles harmonisch is en blijft.

Eed zal wel bemerkt hebben bij het vluchtige doorlezen mijner Zesde Symphonie, dat hij voor dit werk niet beducht hoeft te zijn. Wanneer mijn berekeningen kloppen gaat de muziek daar als 't ware vanzelf. Zo iets als de Boléro van Ravel; maar met geheel andere middelen. Het begint kalmpjes, het stijgt langzaamaan, maar altijd geleidelijk. Voortdurend een beetje hoger; maar zonder dat je 't bijna merkt. Tot je er bent, zo hoog mogelijk, op de top, en zonder inspanning. De noten zelf zorgen ervoor dat alles gemakkelijk gaat als bij een leeuwerik. "De zon tegemoet" zoals hij me schreef op zijn kaart uit het vliegtuig naar Majorca. Deze genoegelijke voorstelling der symphonie berust op degelijke gronden als ik me niet vergist heb. Maar als hij, die zorgen moet dat de noten vanzelf gaan, het een reuze-mop vindt wat ik hier debiteer, en er homerisch om lacht, dan zal me dat plezier doen, en niet weinig. Ik hoop dat je hem spoedig de partituur kunt meenemen naar het Maria Paviljoen. "Ik zal blij zijn als ik ze thuis in handen heb" zei hij me. Ik hoop ook dat weldra de dag aanbreekt dat wij het geleden leed kunnen herdenken met de woorden "in dit alles zijn wij overwinnaars".1 Want die dag zal komen; hiervan ben ik overtuigd.

Verbeeld je, dat ik in mijn vorige brief de hartelijke groeten die ik deed aan Sepha, wilde eindigen met "de sterke vrouw". Ik weerhield me. Nu mag ik het je zeggen, met dankbaarheid.

Veel liefs van Thea. Onwankelbaar vertrouwen.

Als Eed me zou willen zien dan zeg je me 't wel.

Je

Matthijs.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA

  1. Vgl. Paulus, Romeinen 8,37: "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem."