19450803 Matthijs Vermeulen aan Thea en Joanna Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea en Joanna Diepenbrock

Louveciennes, 3 augustus 1945

Louveciennes (S et O)

2 Rue de l'Etang

3 Augustus 1945

Lieve Thea en Joanna,

Vanochtend je brief van 26 Juli. Wij winnen tijd en ik verheug mij erover. Ik heb nooit haast gehad; behalve de laatste maanden. Ik zou daaraan kunnen toevoegen (en ik doe het!): sinds ik "eigenlijk" niets meer te doen heb.

Ik heb dikwijls nagedacht over den moed dien de menschen toonen te midden van hun puin; ik heb hem gezien en ervan gelezen, je hebt hem bewonderd in de ruïnes van Arnhem. Het is voor mij een der beklemmendste raadsels welke de oorlog mij geeft op te lossen. Is die moed niet precies dezelfde moed der honden en katten die tusschen dat puin nog hoopvol ronddolen en die kwispelstaarten of spinnen zoodra men een vriendelijk geluid naar hen richt, zoodra men ze even den kop aait? Wat voor verschil is er? Niemand heeft den moed verloren! Noch in Frankrijk, noch in België, noch in Engeland, noch in Holland, noch in Duitschland, noch in Rusland, noch elders. Maar waartoe dienen de afschuwelijkste, de onzinnigste rampen wanneer niemand den moed verliest? Zou het niet duizend millioen maal beter geweest zijn wanneer die ontelbare ongelukzaligen, opeens bezeten van een redelijke en goddelijke bewustwording, tezamen gestormd waren naar ik weet niet wat voor plaats, schreeuwend en razend: genoeg, genoeg, meer dan genoeg? Sinds menschenheugenis geldt het voor verdienstelijk, edel, prachtig, om niet den moed te verliezen. Maar is dit niet een van die oude "waarden" welke wij, verstandig zijnde, zouden behooren om te storten, of minstens grondig te herzien? Zou het in sommige gevallen niet juist de hoogste moed zijn om den moed willens te verliezen? Zou het niet het eenige, en het eenig-noodige middel zijn om tot dat punt van ageeren te geraken dat de gedachten en de dingen in een andere richting wendt? Al die menschen, geduldig duldend, accepteerend, zich resigneerend, gelijk vroeger onder een epidemie, en al die overige menschen die dat geduld, die acceptatie en resignatie lofprijzen, – deze mixtuur worgt mij de keel, ik kan haar niet slikken. Het tekort van dezen tijd?? Ik zie het zóó: Er is geen moed. Er is niet eens lijdzaamheid. Er is enkel lijdelijkheid. Niemand durft de kreet uit te stooten die hij in 't binnenste zijner ziel weet en voortdurend hoort, als een klacht en als een aanklacht. Aanklacht tegen zichzelf. Tot op de slagvelden is er geen moed. Alleen automatisch moeten. Ik zonder sommigen uit, als Josquin. Honderdmaal heb ik hem gezegd: Tu vas risquer ta peau pour toutes ces canailles, pour toutes ces chiffes? En toch is hij gegaan. (Als ik hem dat zei antwoordde hij me: Qu'est ce que tu aurais fait à ma place??) En ik: had ik niet den moed moeten hebben om hem te smeeken; om hem te verbieden te gaan? En hij, en de millioenen anderen, zou het niet oneindig moediger, en redelijker, en menschelijker geweest zijn om hun moed, schijn of werkelijkheid van moed, te weigeren, af te stooten, uit te roeien?

Je ziet waartoe dat "licht" in me mij brengt! Zie je me kranten-artikelen schrijven in dezen trant? Zie je ze gedrukt worden? En toch zouden alle kranten der wereld vol moeten staan van zulke beschouwingen om eenigszins de vox populi en de vox Dei te vertolken.

Om me aan je brief te houden en tot de orde te roepen: ja, wat moet ik aanvangen met die kist van Anny? Als ik je vraag om eens te kijken was erin zit, weet ik op geen stukken na wat ik van je verg. Of het de moeite loonen zal. Misschien vindt je er niets dan ouden rommel, verteerd door de wurmen of door het vocht? Natuurlijk, als er nog iets van "waarde" is zou 't jammer zijn als 't verder bedierf en niet in andere waarde werd omgezet. Ik laat 't geheel aan je over en ben 't van te voren eens met wat je besluit. (De heer Graichen bij wien de kist is, stierf in 41, 42 of 43; ik weet 't niet.)

Merci dat je geschreven hebt aan Mevr. v.d. Velde. Zij stuurde een kaart aan Anny welke de post toevallig doorliet. (De Fransche post distribueert niets aan overleden personen; dat keert terug met het opschrift décédée; psychologische voorzorgsmaatregel, vermoed ik, tegenover de levenden die niet alle geheimen kennen van de dooden.) Ik kon Mevr. v.d. Velde niet antwoorden omdat zij alleen haar adres vermeldde op de kaart, en niet haar naam, die ik vergeten had. Zij is zuster van die Mr Graichen, doch getrouwd.

Merci ook weer voor je liefheid tegenover Marie. Het zal haar zeker helpen en zij verdient 't waarschijnlijk. Meer dan oppervlakkige communicatie met haar is mij nooit gelukt, Alsof ik botste op iets steenigs. Misschien omdat ik het niet genoeg geprobeerd heb? Maar een zijweg om ergens te komen is ook goed, en soms, hier, veel mooier.

Ja, als men van jongsaf leerde, om elke minuut van het leven, of een zoo groot mogelijk aantal minuten, op te voeren tot iets perfects van harmonie, tot iets welluidends, en ook het leven der anderen. Dat is geldender dan alle symfonieën. Wat beteekent het een symfonie goed gecomponeerd te hebben, wanneer men zijn eigen leven, en 't leven van die andere niet geheel goed, perfect, te componeeren wist?

Probleem voor mij: in de wereld te zijn, te zien wat ik zie, te weten wat ik weet, en met die volle kennis, en tegelijk met een volle liefde, te zingen alsof er niets gebeurd is. Ik ben er vier jaar lang in geslaagd (Anny had in princiep dezen gemoedstoestand), maar nu, tot nu, zie ik geen kans meer. Er is iets in me dat niet "vrij" wil worden, en dat ik met geweld niet vrij kan maken.

Ik wensch je met je beiden een prettige vacantie en dat deze zon moge duren.

Veel hartelijks

je

Matthijs

mijn vorige brief was van 29 Juli

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA