19450728 Matthijs Vermeulen aan Thea en Joanna Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea en Joanna Diepenbrock

Louveciennes, 28 juli 1945

Louveciennes (S et O)

2 Rue de l'Etang

28 Juli 1945

Lieve Thea en Joanna,

De post gaat reeds een tikje sneller. Je brief van 6 Juli ontving ik dezen morgen. Die van 14 Juni bereikte me tien dagen geleden.

Je zegt me: hoe ik 't doen kon, hoe ik thuis kon blijven, terwijl zij in 't hospitaal lag? Ik verwijt het me genoeg. Ik heb me slechts met groote moeite toen kunnen weerhouden. Maar er was iets in me dat onoverwinnelijk bleef. Wij hadden afscheid genomen bij den drempel van ons huis. Zij lag op de baar. In een middag-zon van Augustus. Zij was onbeschrijflijk. Als een jonge schildknaap op een grafzerk. Als getransfigureerd in een hoogere wezenlijkheid. Terwijl ik half-ontzind stond te kijken maakte ze mij een bijna onmerkbaar teeken met den mond. Ik wierp mij op haar lippen. Toen is zij weggedragen naar de vracht-auto.

Ik wilde dat beeld behouden. Ik had haar alles gezegd, al het essentieele wat ik haar te zeggen had, in het uur voor haar vertrek. En als zij haar ring had meegenomen (maar zij weigerde) zou ik haar waarschijnlijk, zelfs gestorven, zelfs voor dien laatsten maal, niet hebben willen terugzien. Maar ik had haar dien ring aan den vinger te schuiven.

Het is goed dat ik ook dit deerniswekkende beeld van haar gehad heb: zij op dat rollend bedje, in dat ijselijk kale kamertje, onder dat azuur door ramen zonder gordijnen, langs naakte wanden, met dat oude kreupele mannetje, zij in die gruwelijke verlatenheid, zij met dat leed op haar gelaat, zij die me lief was, zij die zich aan mij had toevertrouwd.

Het is goed dat ik die twee herinneringen te bewaren kreeg. Maar alle andere beelden van dat hospitaal zouden mij misvormd en vermorzeld hebben, en welbeschouwd schijnt 't me dat ik handelde uit instinctief zelfbehoud toen ik mij opsloot. Toen Donald op den dag der operatie haar daarna opzocht, en haar met enkele lievelingswoorden tot bewustzijn trachtte te brengen, te vergeefs, gaf de Zuster (een religieuse) hem een steen, vermoedelijk een leversteen, in de grootte van een perzik-pit, met de woorden: "Ça se promenait dans son ventre". Toen hij haar Vrijdag opzocht, de zaal binnenging, denkend haar levend te zien, vond hij haar bed leeg, moest hij haar overal gaan zoeken, dood. Het is beter dat dit hem overkwam. Ik zou zulke dingen niet verdragen hebben. Het is reeds verschrikkelijk dat ze me verteld zijn. Ze te beleven zou me innerlijk verminkt hebben. Zeker, het was egoïsme van me en lafheid. Ik verwijt het me. Maar ik behield tenminste de noodige vrijheid van geest om conclusies te trekken die opwegen tegen de smart of den troost van een woordeloos onderhoud want toen zij wegging kon zij nauwlijks nog spreken. Ik ben het echter niet eens met Rilke als hij meent dat de menschen niet meer hun eigen dood hebben. De menschen hebben altijd hun eigen dood. Ook zij. Dit was haar geheim. Ik heb het pas later geweten toen ik een brief van haar vond aan Josquin, eind Dec. 1939, waarin zij hem schreef dat zij de jaren welke haar restten geruild had voor de zijne die hem nog wachtten. En 't is zoo gebeurd.

Ik keur dat nu goed. De schok van haar sterven heeft in mij bijzonderheden geopenbaard over mezelf en bijzonderheden over haar welke ik nimmer anders ontdekt zou hebben, en welke ik tot geen enkelen prijs zou willen missen. Het is alsof ik haar nu pas ken, en hoe langer hoe beter. Vanaf den eersten avond van haar dood, toen ik nog niets wist, niets vermoedde, heeft haar geest zich van mij meester gemaakt en een invloed in mij uitgestraald van een buitengewoon weldadige macht. Als je onze eigenlijke verhouding kende gelijk die zeven en twintig jaren geweest is, zou je dat niet verwonderen. In, door, met, wegens of ondanks het lichaam dat mij aan haar bond, is er tusschen ons altijd, en in de eerste plaats, een psychische verbinding geweest, een zeer moeilijk te definieeren maar zeer reëel en zeer direct contact van ziel tot ziel. Uiterst sterk en rechtstreeksch bij haar. Sterk en gevoelig bij mij. Wij kwamen nochtans beiden, onder alle opzichten, van antipodische streken. En dit contact is niet verminderd; het werd niet minder tastbaar. Integendeel. Zij vervult me tot in alle atomen, en, alsof er bij haar sterven, bij ons afscheid reeds, iets plotseling in mij ontlook, ontplofte, zoo bemin ik haar tienvoudig, honderdvoudig, en dunkt 't me dat ik haar nu eerst bemin, gelijk zij verdient.

Zonder twijfel, haar liefde voor mij was uniek. Het mooie in die liefde, het onwaardeerbare, het weergalooze was, dat zij altijd critisch tegenover mij bleef. Een psychisch tekort, een slechte compositie b.v. of een slecht geschreven bladzijde zou zij mij nimmer vergeven, nimmer geduld hebben. En zij zag alles. Onmogelijk om niet oprecht met haar te zijn, of onecht. Ook mijn menschelijke tekorten bemerkte zij uitstekend en zij verzweeg ze me niet. Het mooiste, het bewonderenswaardigste: een fout in de menschelijke orde vergaf zij. Een fout tegen de liefde of tegen de geest zou zij nimmer vergeven hebben.

Het verbaast mij niet dat zij je in een droom is komen verwittigen. Zij hield veel van je en je bent fijn genoeg georganiseerd om zulk een boodschap op te vangen. Zij hield veel van je. Jammer, jammer dat jullie elkaar niet meer ontmoeten kunt. Dat is 't waarvoor zelfs de extase niet troosten kan. Ik zei reeds een dozijn malen tot mijn dochter: "Boven alle Hemels verkies ik een eenvoudig, genoeglijk praatje op deze Aarde, zoo verkeerd als ze is." Maar zij houdt mij voor een materialist!

Met dat dagboek wacht je nog wel een poosje, niet waar Thea? Ik weiger het je niet en vind je heelemaal niet onbescheiden. Maar ik heb mijn muziek weer laten schieten. Ik zoek iets wat ik niet bereiken kan. Iets dat in een superieuren graad de hemelschheid, de lichtheid, de gratie, de ziel zou hebben van Mozart, zooals hij is b.v. in het Andante der Sonate facile (speel dat eens; het is divien) en zonder al die faciliteiten van het klassicisme, en in een melodie, een harmonie, een accent van mij. Ik heb me weer aan 't schrijven gezet; of liever: dat andere van me zette me weer aan 't schrijven. Het is nog niet af! Maar als 't in mijn vermogen ligt zul je de eerste zijn die 't leest. Als de post paketten aanneemt...

Wat zal ik Joanna wenschen voor haar verjaardag? Helaas, ik heb zelfs geen woorden. Niets dan mijn gedachten.

Ik ben blij dat al mijn vrienden behouden den nacht zijn doorgetrokken. Onder alle menschen met wie ik in sympathische connectie was heb ik geen enkel verlies te betreuren. Alsof de oorlog niet heeft plaats gehad.

Wil je Sanders mijn groeten doen? Ik verwacht zijn brief. Maar ik beloof niets. Wat zal ik voor een artikel schrijven? Sinds vijf en twintig jaar is er geen nieuws. Overal oude namen, oude vergissingen, oude impasses. Sinds tien maanden reeds speur ik (per radio; ik kan niet uit mijn huis) naar iets nieuws. Het is waar: ik zou kunnen zeggen waarom er geen nieuws is.

Zijn de Hollanders genezen van hun pro-Duitschheid? (Zij hebben mijn integrale anti-Duitschheid nimmer kunnen begrijpen noch slikken.) De Franschen nog niet. Een deel hunner is vandaag verkikkerd op de "philosooph" Heydegger [lees: Heidegger] en zijn existentialisme, en drukken de grofste, de versletenste banaliteiten uit in het onontwarbaarste, onleesbaarste koeterwaalsch. Slecht teeken. Den vorigen keer waren 't Spengler en Kayserling.

Roland is eergisteren naar zijn nieuwen post vertrokken. Te Noyon. Hij is inspecteur, of iets dergelijks, bij een onderneming van wederopbouw.

Mijn dochter heeft van de (adellijke) familie waar zij dezen winter de kinderen oppaste, het aanbod gekregen om, als een soort van gouvernante, met haar naar Porto in Portugal te gaan, waar de man consul wordt. Ik heb haar geraden te accepteeren. Dat zou tegen 't einde zijn van den herfst.

Merci voor de liefheid welke je bewezen hebt aan mijn zuster. Ik kreeg een brief van haar, en antwoordde. Ik heb medelijden met haar.

Eergisteren ontving ik nog vijf duizend francs van het Comité van Louveciennes. Een chèque van je! Maak je dus niet ongerust. Ik ben geroerd door de vriendelijkheid der menschen, en verwonderd over hun opmerkzaamheid voor mij, dien ze bijna nimmer zien.

De distels bloeien, de vlierbessen zijn rijp, en reeds beginnen de kastanjes te vallen. Was bij jullie de zomer ook zoo onverstoorbaar prachtig?

Veel hartelijks,

je

Matthijs

Ik schreef je 10 Juli.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA