19450710 Matthijs Vermeulen aan Thea en Joanna Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea en Joanna Diepenbrock

Louveciennes, 10 juli 1945

Louveciennes (S et O)

2 Rue de l'Etang

10 Juli 1945

Lieve Thea en Joanna,

Ik heb juist gezegd "wat doet een datum ertoe?" en ik kan niet laten mij te weerspreken. Omdat ik me vanavond reeds, en morgen, en vele dagen nog zou verwijten dat ik je niet schreef op je verjaardag. Ik heb geleerd te vrezen en te betreuren sommige heel eenvoudige dingen nooit meer te kunnen doen. Ik weet dat ik geen enkelen wensch voor jou, voor jullie, op papier hoef te formuleeren. Maar ik wil ook niets verzuimen. Als je in de buurt waart, in 't bereik, zou ik je mijn laatste Juli-rozen sturen, vannacht ontloken na een onweer, met de eerste goud-gele pluimen die men hier "gerbes d'or" noemt en waarvan ik den Hollandschen naam nimmer heb kunnen vinden. Hoewel herfst-bloemen beginnen zij al te bloeien. Ik houd van ze. In September zoemen ze van de bijen. Doch je bent niet in 't bereik. Het eenige wat ik probeeren kan is je met woorden die weinig waarde hebben mijn goeden wil te betuigen en mijn aanwezigheid in gedachte, om je 't beste, 't mooiste, 't liefste te geven van wat ik heb.

Er is eenige kans in ieder geval dat dit jaar minder moeilijk voor je zal zijn dan het vorige. Ik ben er niet zeker van. Je vroeg me in je laatste brief hoe de toestand was voor Frankrijk? Ik durfde je niet antwoorden en ducht voor jullie ongeveer hetzelfde. Heb je gemerkt aan mijn enveloppe, gelijk ik merkte aan de jouwe, dat wij, hoewel behoorend tot "de Vereenigde Naties", nog onder censuur staan, precies als tijdens het Duitsche bewind? Heel de rest – hier – is navenant; met het eenige verschil dat er niet meer gefusilleerd en gefolterd wordt. Heel de rest is zelfs een aantal graden verfoeilijker en afzichtelijker. Dezen winter zijn duizenden kleine kinderen gestorven van koude, wat nog niet gebeurd was, terwijl de Franschen duizenden tonnen steenkool per dag moesten leveren aan hun nieuwe bezetters. De Duitsche krijgsgevangenen waren onvergelijkelijk beter verwarmd en gevoed dan de beklagenswaardige Franschen. Sinds tien maanden is onze ravitailleering veel gebrekkiger dan onder Duitsche tyrannie. De Duitsche zwart-handel was onnoozel, stumperig, pietluttig vergeleken bij den zwart-handel en de corruptie die op 't oogenblik tieren. Roland vertelt mij dat de Amerikanen bij hun intocht in het Duitsche stadje waar hij gevangen zat, levensmiddelen, chocola en andere lekkernijen rondwierpen onder de menschen langs de straten. Van een dergelijke vriendelijkheid, die een nauwkeuriger appreciatie zou geweest zijn van de nooden en van de verdiensten, hebben de Franschen nog niets bespeurd. Geen sikkepit! Geen schijn zelfs. Eer het tegendeel. Een wel-berekende sabotage van wat met Fransche middelen nog mogelijk geweest zou zijn om een verergerde uitmergeling te verhoeden. Het is vandaag nog zoo. En waarom? Om van het Fransche gouvernement door middel van harteloos en gewetenloos georganiseerde moeilijkheden (ik zou haast zeggen: georganiseerde hongersnooden) politieke en economische concessies af te troggelen, af te persen. Hetzelfde systeem is toegepast in Griekenland, in Joego-Slavië, in België. Wat zeg je van zulk een wereld, van zulk een "civilisatie"? De pers mag er niet of nauwlijks van reppen. De Franschen moeten zwijgend dulden en knarsetanden. Opnieuw. Ik ben mijn gansche leven in merg en bloed anti-Duitsch geweest en de Duitschers hebben onnoemelijke misdaden bedreven, welke ik, in al mijn instinctieve afkeer, nimmer zou hebben durven droomen. Ook het afschuwelijke dat ik nu waarneem had ik niet kunnen droomen. Is het niet om alle woorden, alle leuzen te haten? Ik kan dat des te onpartijdiger constateeren daar ik er, dank zij Donald, minder van geleden heb dan ontelbare anderen. Doch het brengt me in opstand, en te oordeelen naar me zelf, voorspel ik je een revolutie, zoodra de bezetters die nog krioelen, verdwenen zijn. En met bezorgdheid vraag ik me af: zou 't in Holland op dezelfde wijze toegaan? Ten tijde der vermaledijde Duitschers deed een brief drie weken over de reis naar Amsterdam. Nu, ondanks hun tallooze vliegtuigen, vier weken!

In den laatsten brief dien ik van je ontving vóór onze "bevrijding", gaf je me een standje wegens het sombere humeur waarmee ik de zaken bekeek! Je mag me er weer een geven. Dit verhindert niet dat ik gelijk heb. (De menschen leerden niets van hun rampen, en vàst is deze catastrophe niet ten einde.) Maar deze sombere waardeering verhindert ook niet, dat ik, in weerwil en te midden dier duisterheid, een zeker licht bezit, bewaar en behoud. Ondanks me zelf en zonder eenige verdienste! Al wilde ik, nooit zou ik het kunnen dooven. Het straalt door alles heen, doch 't best wanneer ik onze donkere, onzinnige wereld, mismaakt door de menschen, vergeet.

Ik durf je niet langer schrijven van wege den censor. Ik riskeer niet meer gefusilleerd te worden of te vertrekken naar een dier kampen welke me het denken vergallen. Maar zal hij mijn brief doorlaten? Voor jou, voor Joanna, hoop ik, vraag ik het beste. Hoe gaat 't met de muziek? Heb je physiek heusch niet méér geleden dan je me laat vermoeden? Gaarne zou ik het gelooven. Maar ik ken jullie dapperheid, ik ken jullie glimlach, en ik wantrouw ze, ik bewonder ze, en ik huiver ervoor.

Ik had die onderwerpen niet moeten aanroeren op dezen dag. Als je goed wilt zijn voor me, lieve Thea, let dan alleen op mijn bedoeling.

Vorige week heb ik me een beetje aan 't werk kunnen zetten. Dat hangt niet af van mezelf. Er zijn zooveel nachtmerries af te schudden, cauchemar's van vijf jaren, die om de beurt weerkeeren. Ik weet niet of 't iets worden zal, noch wat 't worden kan. Maar de wensch om nog eenige muziek, eenige uitdrukking te vinden, is gedeeltelijk vervuld.

Het is uit die sfeer dat ik je mijn wenschen zend.

je

Matthijs

Voor controle: ik schreef je op 22 Juni

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA