19440606 Cécile Frenkel-de Jong van Beek en Donk aan Matthijs Vermeulen

Cécile Frenkel-de Jong van Beek en Donk

aan

Matthijs Vermeulen

Méréville, 6 juni 1944

La Marjolaine

Méréville

6 Juin 1944

Cher Maître

Votre belle lettré émouvante m'a bien touchée! Hebt dank ook voor Uw herhalen: "U mag nog niet denken aan heengaan". Dat klonk zoo vriendschappelijk! Ik las die herhalingen met een glimlach omdat U zoo schrander geraden hebt dat ik in de verleiding zou kunnen zijn om rust en eeuwige vreugde te vragen.

Maar tegen die verzoeking heb ik een onfeilbaar wapen, dat is mijn groot verlangen dat mijn wil volkomen gelijkvormig moge zijn aan den wil van God. Met de warmste liefde wil ik ontvangen wat Hij mij zenden zal: de dood of het leven of het moeilijke half-leven, dat ik nu sinds maanden leid. Als je dat heel sterk voelt, kun je niet verlangen te deserteeren en wacht je blijmoedig af wat er komen zal, niet waar? Mijn omhulsel lijkt, op dit oogenblik, bijzonder veel op een bouwval, die aan alle kanten dreigt in te storten. Maar binnen in branden daar nog de lichten van de gedachte en de liefde. Mogelijk houden die de bouwstoffen nog een tijdje bijeen. Wij zullen wel zien….

Tegen Uwe vergelijking, hooggeachte Heer, van mij met de Heiligen, protesteer ik met kracht. Ik heb niets van de grootheid dier heldenfiguren. Ik ben slechts een vrouw, die een heel lang leven achter zich heeft, vol vreugden en schoonheid, vol bitter leed en verschrikkelijke teleurstellingen en die zich met dat alles een reisbagage heeft samengesteld waaruit ze makkelijk kan putten het begrip van de moeilijkheden en de smarten van anderen. En voor wie eenmaal dit begrip heeft, is het natuurlijk een geluk een beetje vreugde, of althans wat verlichting, te kunnen verspreiden. U ziet hoe eenvoudig dit is!

Helaas, helaas, kon ik maar meer doen!

Ik kan U niet zeggen hoe zeer ik U bewonder dat U dit groote werk volbrengt in zoo moeilijke omstandigheden en zonder eenige hoop op een spoedige voldoening. Dit onbaatzuchtige scheppen der groote kunstenaars is zoo prachtig, zoo aangrijpend!

Natuurlijk, de tijd zal komen dat U de vruchten zult plukken van Uw enorme arbeid. De zegen daarop kan niet uitblijven en het feit dat U U ontworstelen kunt aan al het nederdrukkende van onzen bangen tijd, is reeds een groote zegen.

Wat zou ik er niet voor geven als ik Uw "Balcon" hooren kon. Ik voel zoo sterk de schoonheid van dit gedicht. Wat moet het niet zijn met Uwe muziek! Wie weet, als ik het einde van den oorlog nog mocht beleven, of Joanna het mij niet op een schoonen morgen kan komen voorzingen? Het is zoo als U zegt: laat ons hopen en verlangen en bidden!

Ontvangt U, Cher Maître, met de uwen, mijne hartelijkste gedachten

uwe toegenegene

Cécile Frenkel-de Jong van Beek en Donk

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA