19440223 Matthijs Vermeulen aan Thea en Joanna Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea en Joanna Diepenbrock

Louveciennes, 23?/24 februari 1944

[van deze brief is het eerste blad, dat aan beide zijden beschreven is geweest, verloren gegaan]

laatste kwart-eeuw heb ik niet voor niets geleefd. Maar terugblikkend naar mezelf, in de uren en dagen waarin dit werk ontstond begrijp ik niets meer. Ik begrijp niet waar ik het enthousiasme vandaan gehaald heb, die wil, dien moed om te willen, die verbetenheid om ondanks alles te gelooven, te gelooven waaraan? ik weet het zelf niet eens, maar om met verbetenheid te gelooven aan iets als een onnoembaar geluk, een onnoembare liefde in deze wereld zooals ze is, een wereld waar men ontbijt met twee sneedjes droog, bevroren brood, en per slot dat opperste, soevereine vertrouwen, helaas, ik begrijp er niets meer van; ik zal het pas weer kunnen begrijpen in een volgend moment, als dat nog komt.

24 Febr.

Beter had ik gedaan met het voorgaande niet te schrijven. Het dient tot niets. Het kan je ergeren. Het verlicht me zelfs niet. Maar ik heb noodig het te zeggen! Ik ben als de oud-modische verliefden der vroegere groote en kleine dichters die, zoolang of zoodra ze het voorwerp hunner gedachten niet in hun onmiddellijke nabijheid hebben, hun tijd doorbrengen met zuchten. (Zouden ze ooit een realiteit geweest zijn die "vervelende kerels" voor de tegenwoordige eeuw? Of alleen maar een poëtische fictie?) Ken je den tekst uit het Boek der Wijsheid: Surgam, et circuibo civitatem: per vicos et plateas quaeram quem diligit anima mea: quaesivi illum et non inveni. Hij wordt gelezen op 't feest van Maria Magdalena. Wat een poëzie! Welk een nocturne! Het vervolg is nog grandiozer. Zóó gloeiend dat ik niet meer durf zeggen: het is een beetje mijn geval. Sinds jaren en jaren zingt hij in mijn hoofd en in mijn hart. Hoe heb ik negatief kunnen denken over het Oude Testament! Om een paar woorden te rangschikken als quia fortis est ut mors dilectio, en, aquae multae non potuerunt extinguere caritatem, heeft de schepping met al hare vulkanen millioenen eeuwen moeten arbeiden, en wat is al haar arbeid, wat is al het goud, platina, radium, wat zijn al haar koninkrijken, of liever, wat zouden ze zijn zoo er niet die paar woorden geweest waren om te blijven? Dat herinnert me aan Jany. Het is ongeveer gedacht in de visie welke hij heeft van de aarde en de rest. Ik ben ook de twee laatste morgens begonnen met het overlezen van je brief. Je noodigt me uit om te definieeren wat ik vind van de grootheid van Jany. Om je de waarheid te zeggen heb ik daarover tot dusverre evenmin nagedacht als jij. Je bracht me op het idee en ik zei me: kijk, Jany is groot, – met een verlangen naar je omschrijving! Het is nooit in me opgekomen om hem te meten. Wij zijn toevallig vrienden geworden, en, hoewel ik hem schijnbaar schandalig verwaarloosd heb, vrienden gebleven. Ik vermoed dat wij ten naasten bij zijn afgestemd op dezelfde golflengte, hij in het dichterlijke, ik in het muzikale.(Ik geloof niet dat hij één noot van mij gehoord heeft.) Als ik mij zijn wezen tracht voor te stellen zie ik het op een onmetelijken afstand van de aarde, zoo iets als de geest die zweeft boven de wateren. Het eigenlijke in hem streeft naar de absolute ruimte, naar een stilte en verwijdering waar de woorden zouden moeten vallen als op den eersten dag. Wanneer hij dat opzettelijk deed zou 't getuigen van een bovenmenselijken hoogmoed. Maar hij doet dat vanzelf. Hij is zoo. Zijn domicilie is de oneindigheid. Hij is van een zekere Serafijnsche natuur. Een zeer zeldzaam phenomeen, wel beschouwd. Een zeer ongemakkelijke positie om de aarde te beschouwen uit een sterren-verte, want de aarde geeft niet veel licht en hij zetelt in zijn eigen glans. Gelijk dat meisje van het boek der Wijsheid moet hij altijd op zoek zijn naar wien zijn ziel bemint, maar hij heeft het niet gevonden. Zijn oogen turen vergeefs in de duisternis. Ook aan hem heeft de schepping milliarden jaren gearbeid en zonder twijfel is zijn verschijning ééniger, onschatbaarder dan alles wat het wereld-rijk in de materieele orde voortgebracht heeft sinds het eerste woord. Zoo zie ik Jany, bij goed nadenken, en ik geloof niet dat er iemand anders is dien ik zoo zien kan. Zeg 't hem gerust. Laat hem dit lezen, als de gelegenheid zich aanbiedt. Het zou mij verheugen als ik hem even kon laten vibreeren in dezen spiegel. Tijdens den vorigen oorlog (het was in 1917) hebben wij samen een Tristan willen maken!! Wij hebben toen samen ook een wandeling willen maken over de aarde. Het heeft een haar gescheeld (die haar was Anny) of ik had het gedaan. "Au fond" hooren wij hier niet thuis. Maar wat zeg je van dat boek van Vestdijk? Ik ken het niet. Kun je 't me bezorgen als het de moeite waard is? Als er een Jany in voorkomt zou ik dolgraag confronteeren.

Verder niets voor dezen keer. Ik wacht op je tweeden aangekondigden brief. Maar nog een vraag: doe je aan astrologie, met je waterman en kreeft? Als 't niet te laat is trek dan mijn horoscoop: ik ben geboren enkele minuten na middernacht. Wanneer die kunst betrouwbaar is moet je omstreeks 1940 jezelf erin hervinden als reddende engel.

Veel hartelijks van ons allen en van je toegenegen

Matthijs Vermeulen

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA