19431231 Matthijs Vermeulen aan Thea en Joanna Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea en Joanna Diepenbrock

Louveciennes, 31 december 1943 / 1 januari 1944

Louveciennes (S et O)

2 Rue de l'Etang

31 December 1943

Beste Thea, Beste Joanna,

De symphonie is nog niet af, maar dat was ze vorig en voor-vorig jaar ook niet, en werk of geen werk, ik wil den Sylvester-dag doorbrengen in gedachten met jullie. Liefst zou ik daarvan een traditie maken zoolang ik duur, en dat is wel het minste wat ik doen kan. Terugkijkend op de dagen die voorbij zijn, zie ik wederom niemand dan jullie die mij een hulp, een licht, een aanmoediging geweest zijt met je pure, ongeëvenaarde goedheid, waarvan ik de oorzaak niet ken noch vermoeden kan, wat haar misschien nog kostbaarder maakt en wonderlijker. Ik heb nu weldra drie jaren aan je te danken van louter muziek. Het is hard werken geweest, en soms ben ik er een beetje kapot van, maar fanatiek en zalig werken. Dikwijls heb ik gedacht, vroeger, alle moeilijkheden overwegend waarmee ik te kampen heb gehad om mij aan de muziek te geven, of in mijn obstinaatheid ik mij wellicht niet verzette tegen een obscuur decreet van de providentie dat mij de muziek versloten had en dat ik overschreed. De vraag zit door den tijd zóó in mij vastgeworteld dat ik nòg bijna niet gelooven durf den juisten weg te hebben gekozen. Waaraan zou ik toe zijn zonder jullie tusschenkomst? Aan de somberste wanhoop. Ik zou zelfs die hardnekkigheid verloren hebben, waarschijnlijk, om mij ondanks alles en tegen alles, vast te klampen aan een of andere hersenschim, wijl men geboren is om te hopen. Mag ik en moet ik in jullie interventie niet een aanduiding zien dat ik mij niet vergiste, dat ik niet bedrogen werd, toen ik als jongen van twaalf jaren, zoo juist door een zware ziekte ontsnapt aan de smidse van zijn vader, en in het barbaarsche Helmond, (de naam zegt alles voor me) die onmogelijke en absurde bevlieging kreeg van de muziek? Zeg ik te veel wanneer ik zeg dat je mijn wezenlijke deel gered hebt? Natuurlijk kun je antwoorden: waren wij niet verschenen dan zou er iets anders gekomen zijn. Maar er is in deze drie jaren van moord en brand niets anders gekomen en er kòn dus niets anders komen dan jullie waarlijk providentieele verschijning. Laat mij 't er in ieder geval zoo voor houden; laat mij gelooven dat ik je een dank schuldig ben waar geen wederdank voor ingelost kan worden, stort me niet weer in den twijfel, en noem dit ten minste geen litteratuur! Lieve schrijfster, word voor één keer niet sardonisch! Wat hebben die paar zinnetjes van je me geschud! Want als ik laat ben met mijn brief, meen niet dat ik niet dagen lang gebrand heb om je te antwoorden. Ware het vrede geweest ik zou je denzelfden morgen een telegram gestuurd hebben, luidend: erreur, erreur, ce n'est pas de la littérature! Ik zie het gezicht van Diepenbrock voor me wanneer hij dat woord gebruikte. Het drukte zijn grootste verachting en walging uit. Dat ik zoo la fée merveilleuse had kunnen ontstemmen gaf me een schok. Ik zou je wellicht een heele bladzijde getelegrafeerd hebben om je te bewijzen dat een vogeltje, in den winter voor mijn venster, een nietigheid is: dat kleine geluidje van de groote stem, net als ik, verdoold in de kou. En de geweldigheid van een lichtstraal: om niet te spreken van de jouwe, zijn er een paar lichtstralen waarop ik elk jaar ongeveer zes maanden op wacht. Er zijn lichtstralen die mijn gansche wezen in vlam zetten. Ware ik schilder ik zou alle ontroering concentreeren in het licht. Ik heb er één ontdekt in den kelder waar ik mijn hout berg en hij verschijnt er slechts enkele dagen in het jaar. Het was geweldig en ik wacht op het uur dat ik hem weer zal zien. Waar zou ik mijn muziek vandaan halen, tenzij van het licht? Zoo is het. Zuivere realiteit. Geen spoor van litteratuur. Herinner je je niet enkele avondstralen in den hoek van een kamer waar zij het heele jaar niet kunnen komen en die zij voor een paar minuten omtooveren in iets absoluut bovenwereldsch, in iets bijna onbestaanbaars en dat men met een verwoede verrukking zou willen omhelzen? De rest was ook zoo, maar ik ga het niet analyseeren. Gelukkig betwist je me niet den onverwachten glimlach! (Ik schrijf dat onder een bombardement dat mijn deur opent en mijn ramen doet rammelen; net als de nachtegaal; on fait ce qu'on peut; er valt geen vogel zonder de toestemming van den Hemelschen Vader, maar de Hemelsche Vader stemt dikwijls toe. Verschrikkelijke gedachte die in mij opkomt: Zou een belangrijk deel der Bergrede geen "litteratuur" zijn, d.w.z. onmogelijk te accordeeren met een aardsche en menschelijke werkelijkheid? Het bombardement is geëindigd en in de stilte, onder de zon, kraait een haan.)

Je vraagt me wat mij ervan terughoudt om weder te keeren tot de Kerk. Ik ben daarover met mezelf nog lang niet tot klaarheid. Iets principieels zonder twijfel. De kwestie, niet van goed of kwaad in den gewonen zin, maar van smart en vreugde. Ik begrijp niet waarom het grootste gedeelte van het heelal zonder onderbreking ligt ondergedompeld in het leed en zonder onderbreking naar den goddelijken troon die verscheurende en nuttelooze klacht uitstoot. Geen enkele verklaring van geen enkele religie heeft me daarop een bevredigend antwoord kunnen geven. Dat de menschen lijden bekommert mij het minst. De meesten hebben wat zij verdienen en wat zij zich zelf berokkenen. Maar de dieren! Ik kan geen dier ontmoeten zonder voor hetzelfde tragische en onoplosbare raadsel te staan. Want de Kerk leert dat zij deelen in de schuld van Adam, wat mij reeds onaanneemlijk, om niet te zeggen monsterachtig lijkt. Maar als zij gedeeld hebben in de schuld van Adam, waarom hebben zij niet gedeeld in de Verlossing? Ik zeg dat schematisch. Kan men zich een Verlossing der dieren eigenlijk wel denken? Toch zijn zij het die voor mij het probleem stellen van God en van den Schepper. Als een klein deel der Schepping bidden kan, waarom bleef het grootste deel der Schepping steunen en kreunen in een vruchteloos, machteloos, schuldeloos leed? Weet jij er antwoord op waarom voor ontelbaren de smart en de duisternis de grond zijn van een leven, dat zoo duidelijk, zoo onweersprekelijk haakt naar vreugde en klaarheid? Het verhaal van den Paradijs-boom, hoe ook uitgelegd, lijkt mij dermate ontmoedigend. Het hindert mij reeds in 't Onze Vader te moeten bidden: "En leid ons niet in bekoring." Waarom zou de God dien ik aanroep, en die goedheid is, ons in bekoring voeren? Hoe over deze dingen, die essentieel voor me zijn, in 't reine te geraken zonder uitvluchtsels? Ik weet het niet. Ik heb een diep-religieuse natuur en het is een groot gemis voor me mij te moeten richten tot een God van wien ik niets ken en niets begrijpen kan dan dat hij bestaat, dat ik van hem moet getuigen en dat ik een niet al te gebrekkig instrument zou willen zijn in zijne hand. Boven dat ultra-primitieve kom ik niet uit, en tòch, alle kunst eischt een liturgie. Je zult zeggen: en de katholieke liturgie? Inderdaad, in haar meeste aspecten is zij een meesterwerk van vorm en inhoud, van schoonheid en rijken zin. Maar zoo vreemd als het je misschien lijken zal, en zoo weinig het intellectueel verdedigbaar is, telkens dat ik in de liturgie een toespeling op haar Joodschen basis, of een herinnering daaraan bespeur, voel ik mij instinctmatig teruggestooten. Het is sterker in me, dwingender, dan alle rede. Ik kan er niets aan doen. Bijna alle boeken van het Oude Testament, voornamelijk die de oorsprongen en de historie betreffen, wekken in mij onverzoenlijke, onoverwinnelijke tegenstroomingen. Het is jammerlijk iets dergelijks te moeten bekennen in de huidige tijdsomstandigheden, maar het is zoo. Een nooit geheel slapende demon in mijn allerbinnenste protesteert met geëlectriseerde prikkels zoodra hij de namen hoort van Abraham, Isaac, Jacob en hun zaad. Zal ik me over die kleine betrekkelijkheden ooit overheen kunnen zetten, voldoende om ze van negatief tenminste neutraal te maken? Zij zitten me in 't bloed. Onder de niet-dogmatische, niet-beredeneerbare maar voor mijn psychologie zeer gewichtige redenen welke van de Kerk terughouden behoort ook de som der ervaringen welke mij ertoe leidden om tusschen mijn eerste jeugd en mijn latere leeftijd een kloof te graven, wijd genoeg om die eerste jeugd niet meer te zien en haar te vergeten. Ik ben als kind overal een kat geweest in een vreemd pakhuis. Zoover mijn geheugen reikt heb ik met alles en overal te vechten gehad. Geheel mijn aard was in strijd met geheel mijn milieu, en ik heb mij steeds met handen en voeten verweerd. Dat lag niet uitsluitend aan het milieu, want ik deed later vele soortgelijke ondervindingen op, het lag ook aan mij. Ik was overgevoelig, zeer hoogmoedig, en hoewel niet strijdlustig, want tegen de meerderheid dolf ik onfeilbaar het onderspit, toch uiterst strijdvaardig. De keeren dat ik ben afgerost, door mijn kameraden, in het ouderlijke huis, door mijn schoolmeesters zijn werkelijk ontelbaar. Wat niet verhinderde dat ik voor iedereen den bijnaam droeg van "de beul", een woord dat mij automatisch deed koken. Daarbij was ik zeer mystiek aangelegd, buitengewoon godvruchtig, slaapwandelaar zijnde maakte ik zelfs nachtelijke wandelingen naar de kerk, en had ik ware frenesieën van devotie, het eenige wat mij toenmaals troosten kon. Curieus is dat ik me als kind nooit ongelukkig gevoeld heb; alleen maar een beetje radeloos en hulpeloos. Curieus ook is dat ik nimmer heb kunnen haten. Maar het resultaat is geweest dat er later, naarmate ik meer bewust werd en mij rekenschap gaf, een verstikkende atmosfeer uit die jeugd opwalmde, zoo verstikkend dat zij alles in me dreigde te smoren. En stellig moet ik toen tot in mijn diepste ziel danig geleden hebben, want sommige gebeurtenissen uit dien tijd, als ik er per ongeluk aan denk, doen mij nu nog pijn alsof ze van gisteren waren. Een hoop dingen, schoolliedjes b.v., sommige rythmen, sommige vertellingen kan ik niet hooren zonder machinaal een gewaarwording te krijgen van wrevel en afschuw. Langzamerhand, en ik was toen nog vrij jong, nauwlijks twintig, heeft een ware behoefte aan zelfbehoud mij er toe gebracht om alle herinneringen aan die jeugd zoo radicaal uit te roeien dat ik mij zelf kon beheeren en mijn innerlijk leven kon inrichten met een zekere vrijheid. Het is zeer moeilijk geweest en 't is ook niet gegaan zonder verschillende inzinkingen, doch geleidelijk is 't mij gelukt te raken tot een zeker evenwicht. Normaal had ik een revolutionnair moeten worden, maar ik heb dat niet gewild, om ook in zulken vorm aan die herinneringen alle kracht te ontnemen. Ik heb altijd bewaard en gehandhaafd wat zonder hinder of schade bewaard en gehandhaafd kon blijven. Maar ik moet je bekennen dat ik me op 't oogenblik nog niet kan voorstellen de godvruchtige praktijken mijner jeugd te hervatten, want nauwlijks denk ik eraan of die sensatie van afgrijzen komt over me als een nachtmerrie. Misschien ben ik niet duidelijk en uitvoerig genoeg geweest om je in dit soort van ziekteverschijnsel het noodlottig verband te kunnen doen voelen tusschen oorzaak en gevolg. Maar het is zoo. Ik weet wat het beduidt een dier in de klem te zijn. Ik weet ook hoe innig het besef van God is samengegroeid met mijn ziel. Ik weet wat ik mis en hoe ik zoek om dat gemis te vergoeden. Maar hoe het te vinden en hoe daarvan te genezen?

Hartelijken dank voor de bidprentjes van je vader en moeder welke, hoewel gemerkt met de teekens der censuur, veilig overkwamen. De teksten roepen menig uur op van muzikale ontroering, van zachte of hevige adoratie. Wat een goede en gelukkige tijd was dat toen ik die verzen en die klanken hoorde voor de eerste maal. Hoe zonderling ze weer te hooren aanzingen als uit het hiernamaals. Wat zou ik je vanavond gaarne schrijven over je vader. Het stemt me altijd tevreden wanneer ik van je lees dat mijn evocaties je verplaatsen konden in een nabijzijn dat je te jong was om genoeg te kennen. Maar de beelden uit een verleden dat reeds ver is komen niet zooals men wenscht doch zooals de beelden zelf willen, en vandaag ben ik zonder twijfel te veel verstrikt in mijn eigen sfeer. Je hebt me indertijd gevraagd of het mij opluchting verschaft had de correspondentie van Diepenbrock verbrand te hebben. Neen, niet eens tijdelijk. Maar laten we onderscheiden. De brieven en briefkaarten van je vader behoorden per ongeluk onder een soort autodafe dat me toen noodzakelijk leek. Ik verheug me over dat autodafe, ik betreur de vernietiging der geschriften van D. Maar voor de biographie van D. behoeft het je niet te spijten. Het zou hoogstens jammer kunnen zijn voor een biographie van mij!! Want zonder uitzondering waren de brieven van D. kritieken op kritieken van mij, of, in zeldzame gevallen, concepties van polemieken, raadgevingen en bronnen-aanwijzingen voor het voeren eener polemiek. Er zou uit blijken in hoe hooge mate en hoe beslissend Diepenbrock tot mijn intellectueele vorming heeft bijgedragen, maar dat, geloof ik, heeft geen autographische bewijzen noodig in een biographie van D. Hij betitelde mij steeds "waarde heer Vermeulen", wat mij dikwijls verdroten heeft. Maar nimmer heeft het mij verdroten kritieken van hem te ontvangen, hoe eigenzinnig ik ook was, en waar het eenigszins kon heb ik mij altijd geschikt naar zijn zienswijze. Merkwaardig dat hij mij het etiquet gaf van Matthieu Pipelare. In mijn jeugd droeg ik inderdaad den naam van Matthieu en mijn voorvaders stammen evenals Pipelare, uit de buurt van Leuven. Maar hij wist noch het een noch het ander, geloof ik. Een vertaling van Matthijs in 't Fransch moet hem tot die gekscherende associatie gebracht hebben. Den naam Pipelare heeft hij stellig gevonden in Ambros, deel II en III, die hij om zoo te zeggen van buiten kende. Het ligt geheel in zijn lijn dat de naam Pipelare zijn humor opwekte en hem verlokte tot komische toespelingen. Zooals jij meen ik dat Pipelare komt van pijp, pijpelaar op zijn Vlaamsch, maar dan in de zin van bagpipe of een andere muzikale pijp, want de tabak was in die dagen nog niet door de Europeanen ontdekt.

Hoe gaat het eigenlijk met je boek? Is het eerste deel reeds bij den drukker? Bestaat er kans dat het verschijnt in het verschrikkingsjaar dat ons vermoedelijk te wachten staat? Of schort je de publicatie op tot rustiger en musischer tijden? Ik kan je niet zeggen hoe benieuwd ik ben naar dat werk van je en met hoeveel ongeduld ik het tegemoetzie. Er zijn in mijn feitelijke kennis van Diepenbrock een menigte lacunes en de psychologische kennis welke ik van hem denk te mogen hebben zou ik niet voor geldig durven houden alvorens haar geconfronteerd te hebben aan de authentische gegevens welke in je boek waarschijnlijk niet zullen ontbreken. Vooral op de documenten ben ik buitengewoon gespitst en wat mij bovenal nieuwsgierig maakt zijn de hoedanigheid en de eigenaardigheid van de figuur welke uit je werk zal oprijzen.

– 1 Januari 1944. –

Ik kan doorgaan waar ik ophield. Moge het jaar dat we beginnen, het jaar dat de kinderen van alle toekomstige generaties op school van buiten zullen leeren, het jaar dat ons in het centrum van den cycloon zal brengen, het jaar waaraan dezelfde lucht van zwavel en phosphor zal blijven hangen als om het jaar duizend, moge dit jaar ook het jaar worden van je boek over Diepenbrock. Ik zie het reeds op een cultuur-historische tabel waarvan de pedagogen tegenwoordig houden. Moge – het het worden wat men noemt een standaard-werk. Moge het als een Chineesche muur eens en voor altijd de scheidslijn trekken tusschen het verleden der Hollandsche muziek en de presentie, de aanwezigheid, de tegenwoordigheid van Diepenbrock. Moge het eens en voor altijd alles annuleeren in de Hollandsche muziek-geschiedenis wat daar nooit had behoeven te zijn, moge het voor immer den unieken naam schrijven welke daar behoort. Je ziet wat ik van je verwacht. Voor 't overige wensch ik jou en Joanna hetzelfde wat ik je vorig jaar gewenscht heb: dat de goedheid die je me bewijst, het licht, de warmte, den klank en de kleur die je uitzendt je mogen wedervaren in den vorm welke het meest bijdraagt tot je beider geluk.

Hier ben ik ten einde en eigenlijk zou ik moeten sluiten. Maar wat ik schreef overkijkend voel ik mij geenszins gerust. Ik betreur bijna het onderwerp der religie aangeroerd te hebben. De theologische gesprekken met mijn dochter verloopen gansch anders. Ik neem nooit mijn eigen standpunt in. Voor zoover ik het eenigszins kan verantwoorden met de intellectueele probiteit ga ik altijd met haar mee. (Tusschen haakjes: ik zie die geschiedenis met haar Dominicaan zoo: als die Bruno, die uit Bretagne komt, een vrouw noodig had, dan had zijn Engelbewaarder, de Heilige Maagd of een andere patroon hem geen geschiktere persoon op zijn dak kunnen sturen dan mijn dochter want zij is een heroïsche natuur. Daarom sprak ik van de hemelsche Eros. Zij zal alles leiden als in een drama van Calderon dat de werking der Genade ten grondslag zou hebben of à la manière van André Gide in La porte étroite. Ik weet niet of zij dat weet en ik zeg het haar natuurlijk niet. Zij is een beetje sorcière. Een beetje veel zelfs misschien.) Om voort te gaan: tot geen enkelen prijs zou ik je willen verdrieten, kwetsen of teleurstellen. En toch zou ik hier niet anders dan oprecht en voluit kunnen zijn. Betreden wij niet een gevaarlijk pad? Ik vind ook dat ik mijn interne psychologie van kat in een vreemd pakhuis te simplistisch en te oppervlakkig heb behandeld. Doch ik zou tien dagen en tien pagina's noodig hebben om 't goed te doen. Mijn groote kwaal is hypersensibiliteit. Al mijn wilskracht, en die is niet gering, heeft dat niet kunnen corrigeeren. Van kinds af hebben gemoedsbewegingen, zoowel aangename als onaangename, op mij het effect gemaakt van aardbevingen. Ook al beheersch ik mij uiterlijk, wat ik langzaam geleerd heb en nog dikwijls bijleeren moet, zij zijn niet alleen onweerstaanbaar (dat is het ergste niet) maar zij teekenen het terrein. Ik kan niets uitwisschen, zooals de meeste menschen dat met zooveel gemak doen. Hoe wel ik mij opleg en mijn uiterste best doe om de rede de baas te laten spelen is er ondanks alles toch een princiep in me dat zich niet regeeren laat en dat altijd domineert. Het is ongelukkig om bij een robuste constitutie innerlijk zoo georganiseerd te zijn. Wat een loeren heeft me dat reeds gedraaid! Weet jij, waar het maladieve begint in de sensibiliteit? Een boek dat van groot nut voor mij geweest is, hoewel geen regel ervan me nog heugt, is Un homme libre van Maurice Barrès, dat zich in de bibliotheek van je vader bevindt.

Maar genoeg nu. Ik zal met zekere spanning wachten op je reacties. Schrijf een beetje kleiner want de censuur geeft je slechts recht op twee velletjes. Om je sneller te bereiken (ik vertrouw dat het middel nog geldt) zend ik deze weer aangeteekend; maar moet je aangeteekende, zooals vroeger, nog altijd gaan halen op het postkantoor, of wordt het je zooals in Frankrijk thuis bezorgd? Van ochtend reeds, zegt Anny me, kwam je brief voor de kinderen. Gelukkig teeken. Het is jammer dat je die vier maanden betreffende Josquin niet begrepen hebt. Ik kan onmogelijk duidelijker zijn. Zou je me niet willen zeggen wat je verstaat onder de grootheid van Jany? Als je Jany ziet of schrijft wil je hem dan laten weten dat ik den tweeden dag nadat de symphonie af is (de eerste zal voor jou zijn) een brief zal beginnen? Vin je ook niet, nu onze vriendschap (ik dank je voor dit woord) in werkelijke vertrouwelijkheden schijnt te treden, dat je het mijnheer zoudt kunnen laten varen (ik hecht bijzonder aan den juisten, etymologischen zin der woorden en daarom schrijf ik zoo langzaam!) of dat je me minstens zoudt kunnen tutoyeeren? Maar ik laat je de vrijheid. Ik zeg alleen maar wat me plezier zou doen. En nu weer aan 't werk. Nu weer in mijn abstracties. Het is theoretisch prachtig om de muziek te beoefenen als een hoogere wiskunde, maar wat een torment, wat een onvoldaanheid om altijd te verkeeren te midden van die ongrijpbare gestalten, en al vlammen ze, wat zou ik niet geven voor een paar minuten werkelijken klank die ook zou vlammen.

Veel hartelijks van allen, vol dankbaarheid, en van je toegenegen

Matthijs Vermeulen

[bijgevoegd: strookje papier met daarop de mededeling van de Deutsche Briefzensur aangaande het maximale aantal van vier bladzijden voor correspondentie]

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA