19291116 Martinus Nijhoff aan Matthijs Vermeulen

Martinus Nijhoff

aan

Matthijs Vermeulen

Den Haag, 16 november 1929

Den Haag. 16 Nov. 1929

Beste Thijs,

Met je definitieve toezegging heb je me bijzonder gelukkig gemaakt. Ook dat je schrijft, geen "moeilijke muziek" te zullen maken. Ook dat je schrijft "zonder een greintje scepticisme" aan het werk te zullen gaan. Van mijn kant wil ik ook zoo eenvoudig en ernstig zijn, dat een kind het kan begrijpen en een deskundige het met genoegen volgt.

Aan de wind op de Kager plassen is gedacht. Philips te Eindhoven werkt mee en garandeert verstaanbaarheid. Het orkest zal waarschijnlijk opgesteld zijn in het Huis van Stavoren en per versterking worden overgebracht in de tribune. Dit als een reserve-maatregel. Je behoeft je daar geen zorg over te maken.

Het orkest is sterk ± 40 man. 20 studenten (meest viool en cel) aangevuld door leden v/h Residentie-orkest. Een punt is de dirigent. Men hoopt dat jij dat zelf zult willen doen. Er zijn drie uitvoeringen, en ik vind dat je daarvoor een extra-honorarium (buiten de f 1000.- voor de partituur) van f 100.- per uitvoering kunt vragen. Je moet dan natuurlijk ook eenige repetities leiden. Wil je niet dirigeeren, noem dan eenige namen (Koeberg, v. Anrooy, Cornelis?)

Ik denk van de "Christelijke Paaschviering" een liturgisch spel te maken: als ik het nog zoover breng, in het Latijn, anders in rijmende strofen en antistrofen, met een thema uit het leven van St. Nicolaas of St. Martinus. Voor de "heidensche viering" zoek ik naar folkloristische gegevens: het huwelijk van den legendarischen Friso met Freya, de roode vlag en de ijzeren kroon (emblemen van Friesland), of desnoods de brand van Troje (volgens een oer-oude overlevering zijn de Friezen afstammelingen van Troianen). Ook is mogelijk hier het al-oude zondvloed-motief, meer in verband met het geheele stuk, aan te duiden. De Christelijke viering het oud-Engelsche spel van St. Noach en het Heidensch spel, een verheerlijking van Radboud, den eersten terpenbouwer. – Je ziet, ik ben zelf ook door den opdracht overvallen, en moet nog over veel bijzonderheden erg nadenken.

De personen zingen niet, de Torenwachter en Jeremias als zoodanig reciteeren op toonhoogte. De ballade van den aanvang wordt ook gesproken, met een gezongen matrozen-roep (heia-ho, of iets dergelijks) als refrein. Misschien echter dat we in de Paaschviering wel laten zingen. In het stuk zelf lijkt me het niet noodig, vooral omdat het zonder koor eindigt. Ook de Wikingers hebben een lied, zeer eenvoudig en krijgszuchtig.

Bonifacius' klok luidt pas in de toren. Een ijzeren plaat of tam tam is dus voldoende.

Ik zal je bijtijds aan voldoende folklore helpen. Volgende week spreek ik een zekeren Dr. v. Giffen, die een standaardwerk over de Hunnebedden en prae-historisch Friesland geschreven heeft.

De generale kleur is, dunkt me, zeer donker groen, g-mineur, tellurisch, maar ik zal zien de tusschenspelen naar a-mineur, wit en zwart, te trekken. Het stuk zelf jamben, de tusschenspelen trochaeën. – Jeremias is bas, Thijs tenor, Debora alt, maar ze zingen niet. Debora, in den proloog, spreekt op toonhoogte.

Ik zal zien begin December even over te komen, maar laat je dat nog wel even weten. Breng dan de dictionnaire mede.

Intusschen beste groeten, ook voor Anny

je Pom

[bij deze brief is een handgeschreven overzicht van het spel ingesloten (de termen in brief en overzicht komen met elkaar overeen) evenals 2 pagina's typoscript De Vliegende Hollander. Schets voor een waterfeestspel. – zie scans]

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA