19200506 Anny Vermeulen-van Hengst aan Evert en Hilda Cornelis

Anny Vermeulen-van Hengst

aan

Evert en Hilda Cornelis

Bloemendaal, 6 mei 1920

Bloemendaal. 6 Mei, 1920.

11 Rustenburcherweg.

Beste Evert en Hilde,

Thijs heeft zoo weinig gelegenheid om rustig brieven te schrijven en evenmin vond hij tijd aan te komen voor een gesprek. Sinds een dag of veertien heeft Thijs de hulp van Prof. R.N. Roland Holst ingeroepen om hem aan een toelage te helpen waardoor hij, criticus af-, rustig componeeren en verhandelingen schrijven kan. 't Bevalt hem absoluut niet meer aan De Telegraaf, waarbij nu ook nog komt dat ze hem met 1 Mei het chefschap Kunst en Letteren ontnomen hebben op grond van 't plaatsen van Staal's twee stukjes waarin de bourgeoisie gehoond wordt en dát konden ze niet toestaan (sic!!). Nu kunnen ze zich er ook verder op beroepen dat Thijs verleden zomer er meermalen op aandrong Buning Chef te maken zoodat Thijs vrijen tijd kreeg. Dat werd geweigerd; in April nu kreeg Thijs 't in de gaten dat ze achter zijn rug niet Buning maar een ander als "toezicht" <nu chef, en wel een die vraagt of Schröder niet gewaarschuwd dient voor de tooneelcritiek van "Tristan u. Isolde"> op Kunst aanstelden voor de populaire organisatie. De krant moet n.l. "populair" worden. Nu bedankt Thijs er vanzelf hartelijk voor om zooals hij 't noemt voor Jan rap en z'n maat en de "steeg" te schrijven. Wanneer de directie durfde gaf ze hem ook nu nog wel z'n ontslag. Thijs zelf wilde beslist z'n ontslag met 1 October, het nieuwe seizoen, laten ingaan, daar is niets aan te veranderen. 't Is wel moeilijk een toelage te krijgen, maar hoe weinig ook, 't is beter dan dat hij dat ellendige leven zoo moet voortzetten, met een salaris waarmee we nauwelijks uitkomen. Wij wilden, Roland Holst raadde ons nu Ulvenhout aan bij Breda, een huisje met een flinke lap grond voor groenten, vruchten en kippen. 't Leven in Brabant is goedkoop, eenvoudig en rustig. Wij houden dit plan (drie-dubbele plan) natuurlijk geheim. Jullie hadden we 't wél verteld hoewel er nu bijkomt dat Roland Holst mij gisteren vroeg (de briefwisseling gaat over Thijs en mij om beurten) of hij zich op jou, Evert, kon beroepen ten opzichte van Thijs' talent tegenover de heeren die 't geld moeten geven. Hij ving reeds een paar maal bot, 't waren nóg pro-Duitschers en hun bloed was nóg niet tot rust!! Ik vind 't dan ook van dien kant heelemaal niet erg dat ze weigerden. R.H. is tot juni aan een spoed-werk bezig vandaar dat hij zich tot de omtrek moest bepalen met zijn zoeken. Ook ik zal aan een ouden kennis van mijne ouders schrijven, mijnheer Zeilinga, president van de Javasche Bank op Batavia. R.H. schreef mij een brief dien ik aan Zeilinga kon doorsturen ter meerdere onderstreping van mijn verzoek. Hij is toch een beste hartelijke man!

Ons pension hebben we met 1 Juni afgezegd, dat moest wel om den dan verhoogden prijs. We moeten nu zien waar we terechtkomen zoolang. Thijs was Dinsdag bij Pijper en Annie <doch zij weten niets van de plannen> zou moeite doen dat we in Bilthoven zoolang in een leeg gemeubileerd huis mochten. Doch daar reken ik niet op. Pijper is wel toeschietelijk nu, doch ik zie de vrees steeds bij hem op den achtergrond schemeren zich tegenover Mengelberg c.s. te blameeren. En als je bedenkt dat Heuckeroth, die z.g.Thijs' vriend is, nu om Pijper's critiek (orkestje in zak-formaat, ha! ha!) woedend is op Thijs en "zich niet meer met hém in 't openbaar wil vertoonen", dan weet je waarop je bij de meeste menschen te rekenen hebt aan waardeering. Niet dat Thijs (die heelemaal niet) of ik 't ons aantrekken van Richard. Want 't is zoo dom en belachelijk. Pijper kan in zijn critiek zetten wat hij wil, daar heeft Thijs geen verandering in te brengen. Wel heeft Thijs b.v. 'n hemelhooge verheffing van Sigtenhorst Meyer door Peereboom in Parijs wat "gekalmeerd", máár – Peereboom is wèl de schoonzoon van den directeur maar geen bevoegd muziek-criticus, hetgeen Pijper in ieder geval wel is. 't Verwondert mij trouwens niets van Heuckeroth. Van begin af aan dat ik hem zag had ik niet het volle vertrouwen in de appreciatie van Richard, en gedurende het verkeer met hem toonde hij zich een mensch vol van zich zelf en vol van wantrouwen en op hem gerichte samenzweringen en zich telkens verongelijkt achten. In 't begin ging ik zelf in mijn persoonlijke intuïtie zoover dat Thijs mij belachelijk vond. Ik zei zelfs dat Heuckeroth die symphonie uitvoerde als reclame, volstrekt niet om Thijs. Nu was ik wel wat streng en ik trachtte ook steeds mijzelf te verbeteren en Richard vriendelijk te bekijken. Doch nu zou ik hem graag vol-uit persoonlijk zeggen hoe ik hem steeds onwaardig geacht heb om ooit den naam van vriend van Thijs te verdienen. –

Toen die symphonie uitgevoerd werd heeft hij duidelijk aan Thijs kunnen merken hoeveel eraan mankeerde; ik heb toen gezegd dat voor nauwelijks 3 weken repetitie het wel kranig was met een vrijwel onwillig orkest. Tegen Speets, dus aan iemand waarvan ik wel wist dat die graag verder vertelde, zei ik: "Wanneer de symphonie van mijn man uitgevoerd was zoo als 't moest, dan had iedereen gehoord dat het een goed werk is. Trouwens daar blijf ik bij. Er moet nog, Pijper er onder begrepen, een Hollander komen die een werk maakt als dat. Doch dit daargelaten, tegenover een werk van een "vriend" en voor wien veel afhing van dat werk, past het daarom in vliegende vaart de bestudeering te nemen en nog niet eens alle moeite te nemen het vereischt aantal of in ieder geval een evenredigheid, te brengen in de strijkers, blazers en 't slagwerk, enz te verzorgen? Het werk van Ingenhoven is evenzoo behandeld. De uitvoeringen hebben den naam van Heuckeroth op aller lippen gebracht als weldoener van Ingenhoven en vóóral van Vermeulen. Doch van een muzikaal standpunt is die uitvoering letterlijk een vermoording geweest van beide werken. Zoo denk ik erover en zoo dacht ik er toen ook over. Ik deed m'n best om te vergoelijken. Maar is dat niet een minne gewoonte? Waarom toch zal een beginnend of verder gevorderd leerling uitbranders krijgen van den leeraar wanneer hij Schumann, Brahms, wie dan ook, niet speelt in de juiste intonatie, waarom zal de leeraar zich uitsloven om de traditioneele speelwijze van een stuk met z'n hartebloed te verdedigen, van een stuk dus dat hij in meeste geval niet zelf van den componist hoorde, en waarom zal wanneer de componist nog leeft en zelf aanwijzingen geeft niet precies de zelfde quantum gewetensvolheid aanwezig zijn bij de uitvoerenden? Waarom, zooals met Canivez b.v. er velen, haast allen, zeggen, steeds dat: de componisten zijn égoïsten.? Waarom toch? Zij zullen niet probeeren om Beethoven, Bach ook maar één nootje anders te spelen dan hun geleerd is door leeraars die zelf nooit die componisten hoorden, dus: ze gaan af op wat anderen zeggen; zoo heeft vroeger Beethoven het gespeeld. 't Mooiste is nog bij Bach, die zóó lang vergeten werd, tot eindelijk Felixje hem opduikelde, Felix de zoete, die zelf zoo weinig waardeering meer vindt in zijn eigen uitingen. Doch dan hoor je niet: de Beethoven-Bach-vervangers zijn égoïsten. Wel neen, want: zóó moet Bach, zóó moet Beethoven gespeeld. Is dat niet de grondoorzaak van het eigenlijk zoo lage peil waarop de meeste kunstenaars staan? Dat ze niet bedenken zèlf in contact te komen met den componist al is die eeuwen dood, maar spelen volgens anderen? Dat ze niet bedenken, al heeft Beethoven nog zoovele goede leerlingen gehad, dat al die leerlingen een verschillend innerlijk hadden, dus Beethoven ook verschillend begrepen en vertolkten? En volgens die leerlingen-overdracht op het nageslacht wordt Beethoven gespeeld. Slechts een enkel zelfbewust en zelfzoekend kunstenaar begrijpt dat hij evenveel recht heeft met zijn aan Beethoven innerlijk opgedragen vertolking als welke mijnheer ook die leerling geweest is of welke mijnheer ook die vastgelegd heeft hoe Beethoven speelde, omdat alle zielsinnerlijkheden evenveel rechten hebben. En het is nog altijd beter een onhandige persoonlijke vertolking, natuurlijk is uitgesloten de onmuzikale liefdelooze vertolking, dan eene gebaseerd op conservatorium en academie, wanneer slechts uit die onhandige vertolking spreekt de liefde, de groote liefde waarmede begrepen en gevoeld is iedere noot die de componist geuit heeft. Een serieus oprecht componist zet geen noot op papier die niet rechtstreeks uit het logische verband voortkomt en dus daar moet staan of er anders heelemaal niet zou staan. Eene verbetering ergens aanbrengen is dus eigenlijk een zoeken naar oprechter uiting en weergave. Vandaar dat ik in verband met dit laatste Diepenbrock wel zielig vind, maar toch ook weer bewonder in zijn worsteling om oprecht en waar te zijn, want in Diepenbrock zit voor mijn gevoel nog te veel "valsch" dus iets wat niets te maken heeft met de rechtstreeksche weergave. –

Nou, dat is me 'n brief geworden van heterogene bestanddeelen. Volgens Thijs dus een vrouwelijke zwam-brief.

Ik zei daar dat geen noot op papier staat zonder uit het logische verband voorttekomen. Ik geloof vandaar de warsheid van en de tegenzin in de vele nuttelooze loopjes en sprongetjes, waarvan zoo druk gebruik werd gemaakt vroeger, die den tegenwoordigen mensch bevangt. Ook kan ik mij heel goed denken dat er een tijd zal zijn dat Beethoven b.v. alleen om den kern geliefd is doch dat men de uitvoering van zijn werken nauwelijks meer aanhooren kan om de vele "tirlantijnen", vooral zoo'n finale b.v. En toch zal 't voor Beethoven wel noodzakelijk geweest zijn al de noten neer te schrijven die er staan.

Als ik zooveel nutteloos gedeun hoor van gebroken accoordjes, enz. enz., voor mij allemaal omheendraaierijen, moet ik altijd denken aan de opvatting dat God te groot en te heilig is om er direct in verbinding mee te komen en dat men dus den Middelaar moet hebben. Waar het niet bij blijft, want na Maria die je voorspraak kan zijn, mogen 't haast alle heiligen, een goed woordje voor je doen. Terwijl alles in je en om je getuigt van de goddelijke kracht waarmee alles rechtstreeks in verbinding staat, die de stuwende kracht is van alles wat bestaat. Menschen die niet durven of in staat zijn God recht in de oogen te zien durven dat in hun heele leven met niemand en niets. Zonder dat ze de zwaarte ervan beseffen is hun leven een aaneenschakeling van oogen neerslaan, leugentjes, draaierijtjes, vrees voor alles en nog wat, en – een vergeten van den God wiens hulp zij verwachten door 't werk van een ander. – En nu scheid ik er gelukkig mee uit! – Onze hartelijkste groeten. Bel Thijs maar eens op!

Jullie Anny V.-v.H.

Verblijfplaats: Den Haag, Nederlands Muziek Instituut