19650929 Matthijs Vermeulen aan Thea Vermeulen-Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Vermeulen-Diepenbrock

Amsterdam, 29 september 1965

Woensdagavond 29-9-65

Lieve liefste,

Ik kan je er geen idee van geven wat een reusachtig formidabel plezier het me deed Odilia te kunnen opbellen en aan de telefoon te krijgen. Toen ik in mijn kamer terugkwam woelde ik nog wat aan de sprei, tilde een paar boeken op en werd al nadenkend zonder denken, automatisch getrokken naar de prullemand. Ik nam ze in de hand en wat zag ik tussen de bloementwijgjes: je bril. In de eerste seconde kon ik het waarachtig niet geloven, en betastte hem voorzichtig om te constateren dat hij het echt was. Wie had dat ooit kunnen veronderstellen? En hoe is hij daarin geraakt, zo maar onbemerkt? Het deed me een onbeschrijfelijk plezier je dat plezier te kunnen doen. Ik was erdoor geroerd.

Op het moment dat ik van het trottoir stapte waar zijn auto nog stond, kwam Prof. Jongkees uit het gebouw, zag me al uit de verte, stak me al op tien meter zijn lange arm met hand toe en zei me dat hij me al verscheidene dagen en nu nog pas, tevergeefs gezocht had. Alsof we jarenlange vrienden waren. Dr Horree had hem op de hoogte gebracht dat ik uitstekend reageer op de bestralingen en dat er dus geen reden meer was om nog langer in het hospitaal te blijven. Ik vroeg hem: En wat als de bestralingen zijn beëindigd? Hij antwoordde: De bestralingen hebben een nawerkingstijd van ongeveer zes weken, dan ben ik terug, dan zullen we verder zien, maar ik verlies u niet uit het oog, of zoiets. Verbazend amicaal alles en hartelijk.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA